DE OUDERS VAN JOZEF STERVEN-ZWARE BEPROEVINGEN

september 26, 2022

Uit “het leven van de heilige Jozef”, opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB.

Het boek is te bestellen bij: Marianna van der Laan, Prof. Lorentzlaan 111, 3707 HC Zeist. tel. 030-2254400 Mobiel:06 54902728 Email: marianvanderlaan1951@gmail.com

Toen Jozef achttien jaar oud was, behaagde het God, zijn ouders uit deze wereld te nemen. Eerst stierf de moeder. Haar ziekte was langdurig en pijnlijk. Daardoor moest zij, van alle gebreken gereinigd, in het oord van de rechtvaardigen komen. God schonk haar deze genade op de voorspraak van haar zoon. Jozef stond zijn moeder zo liefdevol bij, hij troostte haar en smeekte God dringend, dat hij haar geduld in deze zware ziekte wil verlenen. Jozef waakte vaak nachtenlang bij de zieke moeder, deels om haar bijstand te verlenen, deels voor haar biddend. En hoe hij haar steeds dankbaar was voor al het goede, zo was nu zijn houding tot haar uniek. Hij verliet haar geen enkele keer en werd niet moe haar met een ware kinderlijke liefde te dienen. Dit strekte de zieke moeder tot grote troost en steeds weer zegende zij haar Jozef. Zij smeekte ook God, dat Hij hem steeds met zijn zegen vervult. Op een van haar laatste levensdagen knielde Jozef voor zijn moeder en smeekte haar, hem alles te vergeven, waardoor hij haar kon hebben beledigd. De moeder zegende hem en zei, dat hij op deze wijze zoals tot nu toe, zijn levenswijze moet voortzetten en erop bedacht zijn, in de dienst en in de liefde tot God steeds meer vooruitgang te maken. Zij dankte Jozef voor zijn liefdevolle verzorging. Evenzo dankte de zoon zijn moeder en zei dan tot haar, het is goed te sterven, want hij verwacht geheel zeker, dat haar ziel naar de heiligen zal gaan. Dit strekte de moeder zeer tot troost. Zij zegende haar Jozef opnieuw en smeekte God, dat Hij haar zegen met de Zijne bekrachtigt. Toen liet God haar tot teken van de vervulling van haar gebed een helder licht op het gelaat van haar zoon waarnemen.

Spoedig daarop verslechterde zich de toestand van de zieke en zij scheen al te liggen sterven. Jozef stond haar tot de laatste ademtocht op heldhaftige wijze bij en troostte ook de diepbedroefde vader.

Meteen na de dood van de moeder trok Jozef zich terug in zijn kamer en weende bitter. Hij wendde zich tot God om troost en sterkte. Toen liet God hem de stem vernemen, dat zijn wens en oprecht gebed voor de moeder zijn vervuld. Jozef dankte zijn God ten innigste en begaf zich naar zijn vader, die door de troostvolle woorden van zijn zoon zeer werd gesterkt.

In de volgende nacht sprak de engel tot Jozef in de droom. Hij zei hem, dat zijn moeder bij de heilige vaderen is en dat hij ook spoedig zijn vader zal verliezen. Hij behoeft echter geen angst te hebben, want God zal hem op alle wegen beschermen en verdedigen. Jozef gaf zich geheel over aan de heilige wil, maar hij voelde nu opnieuw de grote pijn, ook spoedig zijn vader te moeten verliezen. Hij was echter bereid, alles met edelmoedigheid en geduld uit de handen van God aan te nemen.

Jozef had dus zijn moeder verloren en zag de vader in grote droefenis. Daarom beurde hij hem steeds weer op. Hij liet hem nooit in deze droefgeestigheid alleen, maar deed steeds, wat de plicht van een goede zoon is. Het duurde niet lang, toen de vader door een dodelijke ziekte werd overvallen. Doordat Jozef door opofferende verpleging aan zijn moeder nog zeer was verzwakt, ondervond hij veel pijn. Daarom wendde hij zich nu ten innigste tot God om kracht en veel moed, om de vader in zijn laatste ziekte te kunnen bijstaan. God troostte Jozef en gaf hem zoveel kracht, dat hij zich geheel kon toewijden aan de verpleging van zijn vader. Hij stond hem dg en nacht met gehele overgave bij. Steeds weer bemoedigde hij hem, het lijden en beangstigingen geduldig te verdragen. De vader leed wel met edelmoedig en bewonderenswaardig geduld, maar de gedachte, dat hij Jozef alleen moet achterlaten, die nu met vele moeilijkheden wordt belast, bezorgde hem grote bedroefdheid. Jozef zei echter tot zijn vader, dat hij rustig kan sterven, want God zal hem in alle nood bijstaan. Zo berustte de vader in het vooruitzicht, dat God voor Jozef zorg draagt, want hij erkende immers, dat God hem zeer liefhad. Dan liet hij aan Jozef het gehele bezit over en al het vermogen met de woorden, het naar zijn goeddunken te gebruiken. Als goede vader gaf hij Jozef ook nog vele geestelijke onderrichtingen. Vooral beveelde hij hem de godsvrees en godsliefde aan, alsook de liefde tot de medemens. Jozef hoorde deze diepe toewijding naar de verwijzingen van zijn vader; hij dankte hem met de belofte, alles tot de eer van God en tot zijn baat te verwerkelijken. Toen zei de vader nog het volgende: “Mijn zoon! Ik sterf in vrede, want ik weet dat je een goed leven leidt en God liefhebt. Ik laat je als erfgenaam na, vele goederen, waardoor je jouw levensstandaard kan handhaven en tegemoet kan komen aan je wensen om aalmoezen te geven. Jouw zorg is, mij voor God vergeving van mijn zonden af te smeken, dat ik op de plaats van het heil kom. Vergeet nooit je ouders! Je weet, hoezeer we je beminde en een bijzondere zorg voor jou koesterde. Nu geef ik je mijn zegen. En je smeekt God dat Hij, met zijn zegen de mijne bekrachtigd en jij steeds met zijn genade verrijkt wordt”. Na deze woorden knielde Jozef voor zijn vader neer en vroeg hem om de zegen, nog inniger bad hij God daarom. Nu werd hij met deze zegen vervuld .Hierop dankte Jozef onder tranen de vader voor al het goede dat hij hem bewees, de vrome opvoeding en het goede voorbeeld, dat hij hem gaf. Dan vroeg Jozef om vergeving voor alles, wat hij tegen de wil van zijn vader of op welke manier dan ook hij hem beledigd kon hebben. Daar echter de vader door zijn zoon nooit beledigd, maar integendeel slechts vreugde en troost had ontvangen, zei hij, dat hij niet wist, wat hij hem te vergeven had. Jozef wilde echter niet eerder opstaan, totdat de vader hem de verzekering gaf, dat alles vergeven is. Dan vroeg hij de vader om de toestemming, het vermogen aan de armen en aan de tempel te mogen geven. De vader liet hem hierover de volle vrijheid. Jozef sprak wederom zijn dank uit en zei, dat hij zijn ouders nooit zal vergeten; hij kan rustig en zorgeloos sterven.

De toestand van de vader verslechterde zich zienderogen. Jozef verdubbelde zijn ijver in de verzorging. Inniger en vaker dn voorheen smeekte hij God om het eeuwige heil van zijn goede vader; ja, hij was zelfs bereid, de pijnen van zijn vader, die deze tot delging van zijn zondenschuld had te lijden, op zich te nemen. Hij smeekte zijn God, deze boetedoening in zijn vaders plaats te mogen verrichten, opdat zijn ziel na de dood meteen tot de heilige vaderen kan komen. God verhoorde deze smeekbeden van Jozef, waarop hij nu meerdere uren door de meest angstwekkende pijnen ging. Hij verdroeg ze met de grootste overgave, dan werd hem onder meer de verzekering gegeven, dat de ziel van zijn vader na zijn thuisreis in de schoot van Abraham zal komen. Vol dankbaarheid verhief Jozef zijn handen ten hemel, zijn hart jubelde en hij loofde de goddelijke goedheid.

Nu braken voor de vader de laatste uren aan. Met grote liefde stond Jozef hem terzijde, hem bemoedigend, op de goedheid en de barmhartigheid van God te vertrouwen. Jozef zei hem, dat hij zonder zorg van hier kan heengaan, want hij weet het zeker, dat hem dan vrede en vreugde deelachtig zal worden. Deze woorden strekte de stervende vader tot grote troost en spoedig ontsliep hij in rust en vol hoop op het eeuwige heil.

Na het verscheiden van de vader trok Jozef zich terug, om zijn pijn te bewenen. Hij zag zich immers als verlaten door de vader, die buitengewoon goed en liefdevol was en hem zo’n goede opvoeding had gegeven. Dan knielde hij -zich altijd de tegenwoordigheid van God bewust- neer en smeekte onder tranen tot Hem: “Ach, God van Abraham, Isaak en Jacob! Mijn God! Zie hoe ik nu van mijn vader en mijn moeder beroofd ben. Het heeft U behaagd, beiden van deze aarde te nemen. Nu smeek ik U, wilt U in uw goedheid mij in uw bescherming nemen. Ik schenk mij opnieuw aan U en geef me geheel aan uw wil zoals ik altijd heb gedaan. Nu ben ik aan niemand meer onderworpen dan alleen aan U, mijn God! Ik smeek U, wilt U mij uw bijstand ten deel laten vallen. Geef mij de genade, dat ik met de profeet David zeggen kan: “Mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, de Heer echter heeft mij opgenomen”(Psalm 26.10) Van nu af zijn Gij mijn Vader, mijn Beschermer, mijn Moeder, mijn Toevlucht! Doe met mijn haven en goed, wat U welgevallig zijt. Laat mij steeds op uw wil bedacht zijn, want ik ben bereid, deze volkomen uit te voeren”.

Terwijl Jozef zo bad, spreidde zich een diepe vrede over zijn ziel uit, want God liet hem zijn stem vernemen, dat hij heel gerust mag zijn, Hij heeft zijn smeken verhoord en zal hem altijd met vaderlijke liefde beschermen en verdedigen. Hierop zei Jozef zijn God innig dank.

Toen kwamen er vele moeilijkheden over de heilige jongeling. Daar allen zijn goedheid erkenden, maakten velen aanspraak op erfrechten, hem dit of dat eenvoudig te ontnemen. Het meest deden dit de dienstboden van het huis; zij namen wat van zijn spullen, wat hen beviel. Jozef werd daarom niet boos, maar hij vermaande hen, zich daardoor niet met zondenschuld te beladen. Jozef was van nature goedig en liefdevol, en om die reden sloegen zij geen acht op zijn vermaningen en gingen verder zijn goedheid te misbruiken. Zo stond hij hen toe, de wederrechtelijke toegeëigende dingen te behouden, zodat God door de zonde van de diefstal, niet verder wordt beledigd. Daardoor beschimpten en mishandelden zij hem nog. De duivel woedde namelijk tegen de heilige en hitste deze lieden nog meer op. Jozef echter duldde alle onrecht met heldhaftige deugdzaamheid.

Ook de familie van zijn vader kwam nu. Zij wilden Jozef alle goederen ontnemen en hem daarvoor in huis opnemen. Hij ging echter op deze wens op geen enkele manier in, want Jozef had reeds het besluit genomen, om in Jerusalem zijn verblijfplaats te vestigen, om naar de tempel te kunnen gaan. Toen werden de familieleden zeer toornig en omdat zij Jozef met hun vleierijen niet van zijn voornemen konden afbrengen, probeerden zij het met bedreigingen en mishandelingen. Hij echter verdroeg alles met rust. De verwanten beroofden hem toen bijna van al zijn goederen. In deze benarde toestand smeekte Jozef God om hulp en verlichting, wat hij doen moet. Toen zei de engel hem ’s nachts, dat wat er nog over is te verkopen. Van de opbrengst moet hij een deel aan de armen geven, en een deel aan de tempel offeren en het geringste deel voor zichzelf houden; want God wil dat hij arm leeft. Hij moet zich in Jerusalem vestigen en het timmermansvak leren om zich in zijn levensonderhoud te voorzien. Deze levenswijze moet hij zolang voeren, tot God het behaagt, op andere manier over hem te beschikken. Ook moet hij maagdelijk blijven, zoals hij God had beloofd. Hij kan ervan verzekerd zijn, dat God hem altijd bijstaat en hem met zegen zal vervullen. Dit alles voerde Jozef met bereidwilligheid uit. Hij verkocht nu de rest van zijn bezit, waardoor hij hevige verwijten en grote vervolgingen over zich heen moest laten komen. Zodra hij het huis verliet, was het gedaan met de beschimpingen en mishandelingen. Men noemde hem een verspiller van de vaderlijke goederen, men schreeuwde hem toe: “Jij dwaas, jij nar, jij deugniet, jij landloper, jij klaploper!”. Jozef liet alles over zich heen komen en handelde overeenkomstig de goddelijke wil, zoals zijn engel hem had aangekondigd.

Toen de verwanten bemerkten, dat hij het overgebleven deel van het bezit had verkocht, pakten ze hem en sloegen hem. Met groot geduld verdroeg Jozef deze zware vervolgingen. Hij wierp zich in gebed voor God neer en smeekte, dat Hij hem uit de handen van zijn tegenstanders moge bevrijden zoals Hij eens David en zo vele anderen in zijn goedheid heeft beschermd en verdedigd.

Terwijl Jozef zo bedroefd was troostte God zijn getrouwe dienaar. Hij sprak in zijn hart tot hem en verzekerde hem zijn bescherming.

God bemoedigde hem,, deze moeilijkheden edelmoedig te verdragen, want hem zou een bovenmate rijkelijke beloning ten deel vallen. Door deze belofte werd Jozef gesterkt en hij was bereid geweest nog erger te verdragen. Maar God liet niet toe, dat hij nog meer werd gekweld; hij had immers zijn trouw en geduld voldoende bewezen. Men liet hem nu in vrede. Nadat Jozef zijn laatste bezit had verkocht, bracht hij een offer. Voor zichzelf wilde hij niets behouden, wanneer God het zo behaagt.

’s Nachts sprak de engel wederom tot Jozef, dat hij direct naar Jerusalem moet afreizen. Als hij daar in de tempel is aangekomen, zal hij hem zeggen, wat hij moet doen.

AFREIS UIT NAZARETH – DE EERSTE JAREN IN JERUSALEM

In de vroege morgen pakte hij een bundeltje met kleding bij elkaar. Hierna bad hij: “Zie, mijn God, ik verlaat nu mijn geboorteplaats. Arm als een bedelaar begeef ik mij naar Jerusalem om daar uw wil te vervullen. Hoe armer ik me beschouw, des tevredener ben ik omdat het U zo bevalt. Straf niet mijn verwanten en landgenoten, omdat zij mij geslagen en mij van mijn erfenis hebben beroofd. Ik vergeef allen en wens hun alle goeds. Wanneer het uw wil is, dat men mij in deze nieuwe woonplaats evenzo behandelt, ben ik bereid dit te verdragen. Ik smeek U met grote innigheid om uw hulp en welwillendheid, dan zal ik niets vrezen. Ik vraag U om uw zegen, die mij op mijn weg behoedt. Er blijft mij uw almachtige recht! Ik geef mij geheel over in uw vaderlijke armen!”

Nadat Jozef zo tot God had gesproken, stond hij blijmoedig op; hij was immers van zijn zegen verzekerd. Hij nam zijn bundel en reisde af uit Nazareth in de vroege morgen, zonder dat iemand hem zag. De heilige ging alleen op weg in de richting van Jerusalem. Hij bad met opgewekte geest verschei8dene psalmen van David. Hij loofde God en zei herhaaldelijk: “Zie mijn God, nu kom ik om uw wil te vervullen. Ik zal vaak naar uw tempel gaan, zoals ik het van harte wens!” Terwijl Jozef zo zijns weegs ging, verheugde hij zich steeds meer op de aankomst in Jerusalem. Spoedig verbreidde zich de boodschap in Nazareth, dat Jozef vertrokken is; maar niemand zocht naar hem. Velen verheugden zich zelfs over de onrechtmatig toegeëigende goederen van Jozef om nu rustig ervan te kunnen genieten. Zo was hij in zijn geboortestad spoedig door allen vergeten.

Toen Jozef in Jeruzalem was aangekomen, ging hij rechtstreeks naar de tempel, om daar God te aanbidden en voor zijn hulp op deze reis te danken. Hij schonk zich aan God opnieuw met de bede, hem zijn wil bekend te maken. Hier in de tempel vernam Jozef wederom de stem van God in zijn innerlijk, wat hij moest doen. Nadat hij God nog om zegen had gebeden, verliet hij vredig de tempel. Jozef, van de verre reis zeer vermoeid, begaf zich nu naar een herberg om te eten en zich spoedig aan de nachtrust over te geven. In de slaap kreeg hij van de engel de zekerheid hierover, dat God tot hem had gesproken. Hij gaf hem het bevel twee derde van zijn meegebrachte geld in de tempel te offeren en een derde voor zichzelf en de armen te gebruiken. En zo deed Jozef.

’s Morgens stond hij vroeg op en ging naar de tempel om daar geld te schenken. Jozef deed het met grote vreugde, hij knielde vervolgens neer en dankte God voor de openbaring van zijn wil en loofde Hem. Nadat hij een tijdlang in gebed had doorgebracht, schikte hij het zo, aan de armen aalmoezen te geven overeenkomstig de aanwijzing van de engel.

Jozef ging toen heen om een timmerman te zoeken, die hem het werk leert en in het nodige levensonderhoud voorziet. God beschikte het zo, dat Jozef spoedig een goede, vrome meester vond. Met gemak leerde Jozef dit vak, want het bewustzijn, hierin de goddelijke wil te vervullen, liet hem alles gemakkelijk en aangenaam voorkomen. Ofschoon Jozef in een werkverhouding stond, liet hij nooit na te bidden. Hij was ook zijn meester in alles zeer toegewijd, precies en nauwgezet. Daarom en ook vanwege de deugdzaamheid hield de meester van hem. Jozef beschouwde hem als zijn heer. Nooit sprak hij over zijn afstamming; hij sprak slechts het hoognodige en was er geheel op bedacht, het handwerk te leren. Jozef ging ook nooit voor zijn plezier uit. Als hij naar de tempel wilde gaan, vroeg hij zijn meester steeds om toestemming daarvoor.

In de werkplaats kreeg hij volop de gelegenheid tot heldhaftige deugdbeoefening. Vaak kwamen landlopers en leeglopers, die hem beschimpten en bespotten. Zij zeiden, zo’n lange tijd heeft hij genomen om te kunnen besluiten tot dit handwerk, voordien was hij een luilak, een nietsnut geweest. Jozef reageerde niet op zulke beledigingen. Wanneer de meester aanwezig was, gaf hij hun een standje en joeg ze weg. In zijn bescheidenheid was Jozef onvergelijkelijk; nooit wilde hij iets sensationeels zien of horen. Zijn gang was naar de tempel en weer terug naar zijn huisvesting. In de werkplaats gedroeg hij zich niet als een jongeman, die behalve dat hij zijn kostgeld betaalt, ook een onderdanige is, die zijn heer zelfs in het nederigste dienstbetoon tegemoetkomt.

Omdat de meester bemerkte hoe zijn leerling aan de armen aalmoezen gaf, zei hij op een dag tot hem, dat hij toch moet bedenken, dat hij zelf arm en behoeftig is. Maar Jozef hield hem voor: “Laat u mij deze armen dit schenken, want God is het die in mijn behoeften voorziet”. Jozef had een onverklaarbare vreugde in het uitoefenen van zijn handwerk en dat hij onderdanig kon zijn. Het beviel hem arm en onopgemerkt onder de mensen te zijn, terwijl de engel hem zei, dat hij zo door God zeer geliefd is.

Jozef was nu twintig jaar oud en in de liefde tot God zeer vergevorderd. Zijn geest wendde zich nooit van God af, het enige Voorwerp van zijn liefde. Ja zelfs gedurende het werk bemediteerde hij vaak de goddelijke volkomendheden. Ook oefende hij zich veel in het vasten en bad nachtenlang, geheel in God verzonken. Jozef vergat nooit de stervenden. Kon hij hen gedurende zijn leertijd niet persoonlijk bijstaan, dan deed hij dit toch met zijn gebeden voor hen.

Toen Jozef zijn leertijd had beëindigd, was hij besluiteloos, of hij zelfstandig of verder bij zijn meester in de werkplaats moet blijven. Hij verwachtte, dat de engel hem hieromtrent een aanwijzing geeft. De meester werd spoedig doodziek. Gelukzalig beëindigde deze zijn leven; Jozef stond hem zo liefdevol bij, als ware het zijn vader geweest. Jozef bad God om het eeuwige heil van zijn heer en God en God verhoorde zijn gebed.

Nadat de meester was gestorven, ging Jozef naar de tempel en smeekte God dat Hij hem zijn wil mag openbaren, op welke wijze hij Hem dienen moet. In dit gebed viel Jozef grote verlichting en innerlijke troost ten deel. In de volgende nacht sprak de engel tot hem in de droom, wat hij nu doen moet om de goddelijke wil te vervullen. Jozef moest zich een eigen werkplaats terugtrekken en daar zelfstandig werken. Hiervoor moet hij het nodige gereedschap kopen. In het overige zal hij zijn eenvoudige levenswijze voortzetten. Jozef werd door de boodschap van de engel zeer getroost. Meteen daarna werd hij wakker en knielde neer in geloof om God te loven en Hem voor de aanwijzing door de engel te danken.

MARIA EN JOZEF REIZEN NAAR NAZARETH; na hun huwelijk.

september 26, 2022

Opgetekend door: Maria Cäcilia Baij OSB.

Maria en Jozef hadden voor hun afreis alles voorbereid. Voordat de voettocht begon wenste de heilige maagd de zegen van haar gemaal; zij beoefende bij iedere gelegenheid de schone deugd van de deemoed, die zij zeer hoog wist in te schatten. Jozef, die evenzo onderdanig was en de onvergelijkelijke verdiensten van Maria erkende, verontschuldigde zich, dit te doen. Doch kon hij haar verzoek niet afslaan en zo verwaardigde hij zich, haar te zegenen; intussen bad hij ook God om zijn zegen. Dan reisden zij met grote vreugde af in het bewustzijn, hierin de goddelijke wil te vervullen. Zij gingen te voet, terwijl het lastdier hun armelijke dingen droeg. De heilige Jozef ervoer hartenleed, dat hij zich zo arm voelde en zijn bruid geen verlichting op de reis kon geven. Hij deelde haar zijn leed mee. De heilige maagd sprak hem echter bemoedigend toe, dat zij geheel hiermee tevreden is, ja, zich verheugt, arm te zijn; zij verlangt slechts enkel en alleen naar de rijkdom van de geestelijke genade. En zij zei: “Weet u, hoe groter onze geestelijke armoede is, des temeer zal God ons met zijn goederen verrijken en des te aangenamer zullen wij Hem zijn”. Dat troostte Jozef zeer, deze woorden van zijn geliefde bruid te horen.

Onder vele ontberingen en armzaligheden reisden de twee grootste persoonlijkheden van de wereld, ofschoon onbekend. Zij waren alleen, zonder gevolg. Maar een schare van engelen begeleidde de heilige maagd; zij was immers al door God uitverkoren, de moeder van zijn eniggeboren Zoon te worden. Zij alleen hoorde de harmonieën van de engelen. Nadat zij een gedeelte van de terugweg hadden afgelegd, waren zij moe en rustten een tijdlang uit. Wanneer zij rustten, liet God het enige malen toe tot troost van de heilige Jozef, dat de vogels in scharen om Maria zich neerlieten en zongen. Jozef verwonderde zich hierover, gelijktijdig verheugde hij zich. De heilige wandelaars namen dit als aanleiding om de goede God te lofprijzen. En Jozef vroeg Maria, ook tot lof van God te zingen, omdat het hem voorkomt, dat deze diertjes har daartoe uitnodigden. Nu bezong zij het wonder van de goddelijke macht van haar Schepper. Daarover verwonderden zich zelfs de engelen van de hemel, des temeer echter Jozef, die geheel verrukt was. Dan zei hij: “O mijne bruid, mijne duive! Welk een zaligheid bereiden mij uw liederen, die u met zo’n gratie onze God offert. Steeds meer moet ik de schatten van de genade bewonderen, die God in u heeft gelegd. U komt met beantwoordende liefde de goddelijke vrijgevigheid tegemoet. Ik wil u gezelschap houden, ik zal steeds God lofprijzen, die u met zo heerlijke genadegaven heeft verrijkt. Dit doet u ook voor mij, omdat God mij uit zo velen heeft uitverkoren, uw lieflijke, wenselijke gezelschap te genieten”.

Maria echter liet zich zien als de nederigste maagd. Alle lof was op God gericht, terwijl zij tot haar bruidegom zei: “Wanneer u in mij goedheid ziet en bewondert, bedenk dan, dat dit alles een goddelijk geschenk is. Zijn goedheid heeft mij dit verleend, het is niet mijn verdienste. Wanneer u ook in mij een genade bemerkt, geef dan gelijktijdig God, de Gever van al het goede, de lof; Hij is onmetelijk rijk en goed. Hij toont zich zo vrijgevig tot zijn schepselen, in het bijzonder aan mij, de geringste onder hen!” Jozef verbaasde zich over de wonderbare gesteldheid van zijn bruid; hij verheugde zich, dat God haar met zo heerlijke gaven heeft uitgerust en toch de deugd van de deemoed in haar zo diepe was gegrond.

Onze heilige wandelaars zetten hun weg voort, God lovend en prijzend. Jozefs hart jubelde. Herhaaldelijk vroeg hij de heilige maagd, God in zijn plaats te danken voor de onvergelijkelijke genade van zijn uitverkiezing, want hij weet niet, waarom hem dit is ten deel gevallen. Het scheen hem, dat hij behalve het bezit van zijn bruid ook nog iets zou beleven, namelijk de dag, dat hij met eigen ogen de Messias ziet en zich geheel aan zijn dienst mocht wijden. Hij dacht er nooit en te nimmer aan dat hij de voedstervader van de verwachte Messias zou worden. Jozef was zeer gelukkig een gezellin te hebben, die over de heerlijkheden van God in staat is te spreken en die hem in de beoefening van de deugden kan bijstaan tot het verwerven van nog grotere godsliefde. Juist dit verlangde hij zozeer in hun gezamenlijke levenswandel.

De heilige bruidslieden kwamen in de late uren in Nazareth aan. Zij probeerden zich meteen in dit kleine huis te begeven, dat Maria toebehoorde. Allereerst loofden zij God en dankten Hem, dat Hij hen op de reis bijstond en hen naar deze plaats heeft gevoerd. Het huisje zag er vanbinnen niet geheel gerieflijk uit. Op deze avond hadden zij de armoede te gast. Zij stilden hun honger met een weinig brood, dat zij jog bij zich hadden; ook vonden zij drinkwater, wat daar niet overal voorkomt. Maria verheugde zich, want zij hield van de armoede. Het deed haar leed Jozef zo behoeftig te zien. Zij troostte hem met hartelijke woorden, waaraan hij zich meer verkwikte dan aan de kostbaarste spijze. Hij zei tot Maria, dat hij zich nu gesterkt voelt. Dan loofden zij God opnieuw. Hierna deelden zij de woonruimte in. Jozef zei tot zijn bruid, dat zij de kamer mag kiezen, waarin zij zich wil terugtrekken, om te bidden en te rusten. Maria echter wilde dit niet naar eigen keuze doen, ofschoon het huis haar toebehoorde. Integendeel, zij vroeg Jozef haar een ruimte toe te wijzen; hem komt immers het bevel en de bepaling toe. De heilige bestemde aldus een ruimte voor Maria, een voor zichzelf, en een derde als wekplaats. Deze was veel dieper gelegen dan de andere. Er bevond zich nog een kleine ruimte, die voor het koken geschikt was. Maria toonde zich over deze indeling zeer tevreden. Nadat zij met Jozef een lang gesprek tot de eer van God had gevoerd, vroeg zij om toestemming zich in haar kamer te mogen terugtrekken. Zij kwamen nog met elkaar overeen, om de volgende morgen de dagorde van hun levenswijze te bespreken en vast te stellen. Hierna trok Maria zich terug. Ook Jozef begaf zich te ruste. Deze nacht sliepen zij op de harde grond; zij hadden evenwel voorlopig niets omdat zij uit Jerusalem slechts het nodige gereedschap hadden meegenomen.

De heilige maagd bracht nagenoeg de hele nacht in gebed door; Jozef was zeer moe en sliep. De engel zei hem in de droom, dat het de wil van God is, dat zij in armoede leven; zij moeten daarom niet treurig zijn. Hij mag met zijn handen door werk voor het nodige zorgen, en bovendien, God steeds dank betuigen voor de lieftallige, heilige bruid. Bij het ochtendgloren werd Jozef wakker en verrichtte zijn gebed zoals gebruikelijk. Dan viel het hem op, dat Maria voor een lange tijd haar vertrek niet verliet; hij waagde het echter niet, haar te roepen. En zo paste hij zich aan, met de weinige werktuigen die hij had meegebracht, om zijn werkruimte in te richten. Nadat alles was geordend, ging hij weer naar boven om met Maria te zijn. Daar zij echter nog steeds wegbleef, begaf hij zich naar de deur, om de oorzaak van haar lange wegblijven te kennen. Van liefde tot haar vervuld, verlangde hij haar te zien en met haar te spreken. Dan bemerkte hij plotseling door de spleten van de deur, dat de ruimte van het helderste licht was vervuld. Hij nam ook een zeer aangename geur waar en gelijktijdig overkwam hem een rustgevende zaligheid. Daaruit erkende Jozef dat zijn begenadigde bruid met God sprak. Zo wachtte hij geduldig op haar komen. Nooit meer naderde hij in de toekomst de kamer van Maria, zodat hij haar niet met iets in gebed stoort. Veel meer verheugde hij zich over haar geluk en zei bij zichzelf: “Zalig bent u, o Maria, daar U zich de Goddelijke bezoeken waardig toont, want u bent daadwerkelijk heilig en volmaakt in alle deugden”.

Na het gebed verliet de heilige maagd haar vertrek, waar zij Jozef wachtend vond. Hij zag, dat zij nog mooier was en lieftalliger dan ooit, zodat hij het nauwelijks waagde, tot haar te spreken. Maria begroette hem hartelijk. Wederom lofprezen zij God. Dan beraadslaagden zij zich over het nodige levensonderhoud, want zij waren van alles verstoken. Jozef bezat wat geld, dat hij eerder in Jerusalem had verdiend. Van dit spaargeld kocht hij het nodigste voor hun onderhoud. Deze benodigdheden gaf hij aan Maria. Zij dankte nu wederom hun God, dat Hij hen zo had verzorgd. Jozef kreeg ook werk.

Er kwamen buren om Maria geluk te wensen. Omdat zij Maria zo arm vonden, brachten enige liefdevolle lieden haar datgene, wat zij voor haar bezigheden gebruikte. De heilige maagd nam dit als aalmoes graag aan. Zij toonde zich in alles zeer bescheiden en dankbaar tegenover haar weldoeners. Maria sprak niet veel, maar haar woorden lieten een indruk na van lieftalligheid en bescheidenheid. Allen waren haar genegen. In deze eerste tijd ontving zij bezoek, later echter was zij, wat dit betreft terughoudend, ofschoon zij zich daarbij onvergelijkelijk liefdevol gedroeg. Maria onderhield zich evenwel graag met enige vrome jonge vrouwen, die God liefhadden. Zij hield zich ook bezig met huisvlijt en droeg op deze wijze bij in het voorzien van het levensonderhoud. Maria en Jozef dankten steeds weer de goddelijke voorzienigheid en zij bemoedigden elkaar, de goddelijke weldaden te beantwoorden. Daarbij namen zij ook wonderbaarlijk toe in de liefde tot God.

VOOR DE MENSWORDING VAN GODS ZOON.

Het huisje was met het noodzakelijkste ingericht. Maria en Jozef stelden nu de tijd vast, wanneer zij zich aan het gebed en de arbeid wijden en wanneer zij zich in gesprekken willen onderhouden. ZIj bepaalden alles wijs en in de mooiste ordening, want de heilige maagd deed alles aan het Goddelijk welgevallen beantwoordend. ’s Morgens baden zij een gedeelte van de psalmen van David, daarna ging Jozef aan het werk. Maria bereidde intussen het eten, waaraan zij korte tijd aandacht besteedde, omdat hun levensonderhoud zeer eenvoudig was. Meestal hadden zij ’s middags wat soep en wat vruchten of een visje. Hat laatste zelden. Veelal bereidde Maria voor Jozef meer, omdat hij zich immers bij het werk zeer inspande. Zij nam echter niet meer tot zich en zei tot haar bruidegom, dat hij haar niet mag dwingen vlees te eten, de weinige spijzen zijn haar genoeg. Jozef liet zijn bruid hierin de vrije wil; hij erkende immers, dat zij alles met schranderheid en wijsheid deed.

Had Jozef zijn werk beëindigd, dan ging hij meteen naar Maria. Wederom deden zij de goddelijke lofprijzing, hierna namen zij de nodige spijzen tot zich. Gedurende het eten spraken zij veelal over de eer van God. Het kwam voor, dat Jozef door de woorden van zijn bruid zo werd getroost, dat hij stopte met eten. Na de maaltijd zegden zij God de verschuldigde dank. Dan spraken zij met elkaar. Ook daarvoor was een bestemde tijd gekozen, die Jozef zeer verlangde, omdat hij zijn geliefde bruid graag hoorde spreken, wat hem iedere keer tot de grootste vreugde strekte. In deze uren vertelde Jozef ook zo vaak uit zijn vroeger leven; van de genaden, die hij van God had ontvangen en van dat, wat de engel hem in dromen had verteld. Dan zei Jozef: “Weet u, mijn bruid, dat de engel niet meer zo vaak tot mij spreekt. Ik ben echter daarom niet treurig. Het doet mij genoegen, een gezellin te hebben met wie ik over de heerlijkheden van God kan spreken. Vaak heb ik naar zo’n mens verlangd en de engel heet mij de vervulling van deze wens beloofd. Ik geloofde echter nooit, dat mij dit gelukkige lot ten deel werd, met u om te gaan en uw woorden te horen, die zozeer van hemelse wijsheid zijn vervuld”. Maria zag daarin aanleiding, God des te meer te loven en zij zei tot Jozef, hoe trouw God in zijn beloften is; ook zij moeten daarom in de liefde tot Hem en zijn dienst trouw zijn. Jozef vroeg met aandrang, wat hij voor God moet doen. Maria antwoordde hem eenvoudig, dat het God welgevallig is, Hem in liefde en trouw te dienen; hij mag in al zijn handelingen erop bedacht zijn, de goddelijke wil te vervullen. Zij begon nu over alle deugden te spreken, waardoor de ziel zich bekwaam maakt, om de genade van God te ontvangen en Hem aangenaam te worden. Jozef werd door de woorden van Maria over de liefde tot God geheel ontvlamd. Hun woorden hadden zo een kracht, dat de harten van de toehoorder verrukt werden. Jozef verheugde zich zeer haar te horen, het liefst had hij de meeste tijd in deze gesprekken met zijn bruid doorgebracht. Wanneer hij door het werk moe en bedroefd werd, ging hij vaak naar Maria om nieuwe moed te halen. Alleen al haar gelaat te zien was voor hem bezielend. Zij troostte hem met veel lieflijkheid en zei: “Wanneer men al zo’n grote troost ondervindt, zodra men slechts over God spreekt, wat een vreugde zal het eerst zijn, met Hem omgang te hebben en in zijn Rijk de zalige aanschouwing te genieten! Smeken wij daarom ten innigste tot onze God, dat Hij ons spoedig de beloofde Messias zendt, zodat wij door Hem waardig worden in de hemel te komen, om daar God voor eeuwig te genieten!

Zo kwamen zij in gesprek over de Messias. Maria brandde zozeer in het verlangen naar zijn komst, dat zij daardoor ook in Jozef het verlangen nog meer aanwakkerde. En zij zei: “Bidden wij met groter aandrang en met levendig geloof, want zo behaagt het onze God”. Toen deelde Jozef haar mee, dat hij vanaf zijn kinderjaren een levendig verlangen naar de Messias heeft en God steeds ten innigste daarom heeft gebeden. Hij vertelde haar ook van de openbaring van de engel, dat God deze gebeden heeft aangenomen en Hij voortaan daarom afgesmeekt wil zijn. Ofschoon Maria al daarvan wist, verheugde zij zich, dit opnieuw te ervaren en zij moedigde Jozef aan met de woorden: “Wij willen zeer vaak en nadrukkelijk om deze genade smeken, des temeer, daar God ons bidden aanneemt en Hij het zo wil”. En zij smeekten tezamen om de komst van de Messias. De Allerhoogste nam met welgevallen hun smeken en de vurige wensen van hun harten aan.

Terwijl onze Jozef zo’n gelukzaligheid in de omgang met zijn heilige bruid ondervond, had hij ook droefenis door te maken. Wanneer hij in zijn werkplaats arbeidde, kwamen er enigen, om hem voor de voeten te gooien, dat hij in de armoede is geraakt, omdat hij de vaderlijke erfenis heeft verkwist. Zij deden hem veel pijn en behandelden hem als een mens die geen verstand heeft. Jozef echter verdroeg alles rustig en geduldig. Zij zeiden dat hij daar niet op kan antwoorden, omdat hij zich van zijn schuld bewust is. De heilige offerde alles aan God op; uit liefde tot Hem was hij immers arm geworden en uit liefde tot Hem verdroeg hij alles. Toen ging hij naar Maria en vertelde het haar. Zij bemoedigde hem om deze moeilijkheden te verdragen, want hij brengt God daardoor vreugde. Jozef deelde nu zijn gemalin alles mee, wat zich afspeelde bij de dood van zijn ouders en hoe hij in deze grote armoede is gekomen. Het beviel haar ten zeerste, dat hij reeds in zijn jonge jaren zo goed was tot de noodlijdenden en zelf arm wilde zijn uit liefde tot God. En zij troostte hem wederom. Vaak ontbrak het Jozef aan alle levensmiddelen en enig klein geld. Het deed hem pijn, dat hij zijn gemalin niet kon voorzien in het nodige levensonderhoud. Maria echter bemoedigde hem op verheven wijze, zich over deze Godgewilde armoede eerder te verheugen dan te treuren, zodat hij haar edelmoedigheid bewonderde en geheel tevreden werd gesteld. Met dankbaar hart wendde hij zich tot God, dat Hij hem een zo heilige en in iedere deugd volmaakte gezellin heeft gegeven.

Toen Maria en Jozef niets te eten hadden en ook iedere werkopdracht ontbrak, zei de maagd tot haar gemaal aan tafel plaats te nemen. Ook zij begaf zich aan tafel en smeekte God in zijn goedheid Jozef te troosten, die zozeer in armoede verkeert en het nodige voedsel ontbeert. Dan begon zij over de heerlijke eigenschappen van God te spreken. Maria sprak daarover met zo’n hoge kennis en verhevenheid, dat beiden in Gods wezen verzonken. God liet hem zijn liefde en genoegen op zo’n wijze kennen, dat het hen voorkwam als hadden zij van de kostbaarste spijzen genoten. Dit vormde voor de heilige maagd de aanleiding haar bruidegom te bemoedigen, dat hij zich verheugt, wanneer zij alle levensnoodzakelijke dingen moeten ontberen, want God zelf zal dan met zijn genade hen verzadigen. Jozef verwonderde zich over de macht en de goedheid van God. Hij bewonderde ook steeds meer de heiligheid van zijn gemalin; ja hij was overtuigd, dat God hen met het oog op Maria, en zich hem zo vrijgevig heeft getoond. Wanneer zij in uiterste nood waren en hen langs andere weg geen bijstand ten deel viel, kwam het vaker voor, dat zij de tafel met brood en fruit gedekt vonden, wat de engelen hen hadden bereid. Wanneer zoiets gebeurde, besteedden zij de verdere dag om God ononderbroken te loven en te danken.

Maria en Jozef waren zeer ijverig in het beoefenen van alle deugden. Zij verdeemoedigden zich voor het aangezicht van God, zij beoefenden wederzijds stipte gehoorzaamheid, zij verdroegen veel armoede en onaangenaamheden. Maria was wel in alles onvergelijkelijk, zodat zelfs de engelen haar bewonderden. In hun vele gesprekken over God ontvlamden zich hun harten steeds meer, zodat aan al hun gedachten, woorden en werken het streven voor het eerbetoon van hun Schepper ten grondslag lag, die alleen zij ten innigste liefhadden.

Ofschoon zelf arm, schonken zij ook nog aalmoezen. Wanneer zij voor een werk geld kregen, gaven zij steeds een deel daarvan aan de armen; en dit met veel vreugde. De heilige maagd wilde voor haar thuiswerk nooit geld aannemen; zij liet het haar gemaal in ontvangst nemen, zodat hij naar zijn believen daarover beschikt. Zij raadde hem alleen aan, de noodlijdenden iets te geven. Jozef beantwoordde graag de wens van zijn bruid; hij had immers een bijzondere voorliefde tot het schenken; hij behield slechts zoveel wat voor hun onderhoud nodig was. Zij gaven de aalmoes met de bedoeling, God welgevallig te zijn en Hem te bewegen, dat Hij spoedig de beloofde Messias zendt. Met het oog hierop smeekten en vastten zij ook. Metterdaad bewezen Maria en Jozef zich in alles volmaakt. Zij ontvingen van God ook duidelijke bewijzen van zijn welgevallen aan hun trouwe dienst en hun goede werken.

De helse vijand knarsetandde vanwege deze heilige personen. Hij kon een zo sterk licht in de wereld niet verdragen, want zijn duistere macht werd daardoor sterk afgezwakt. In het bijzonder schaadde hem de vurige liefde tot God, die in de harten van beiden heerste. Hij verloor macht door hun deemoed, reinheid en onthouding; doch hij waagde het niet hen te naderen, een hogere macht hield hem terug. De vijand was woedend en zocht op sluwe wijze uit te vinden, hoe hij onenigheid tussen Maria en Jozef kon oproepen, want hij meende, wanneer de wederzijdse liefde gebroken werd, dan zal hij zijn bedoelingen gemakkelijk kunnen bereiken. Tot dit doel hitste hij enige buren op. Deze werden nijdig, omdat zij de eendracht en liefde zagen. Zij begaveen zich vaker naar Jozef, om hun misnoegen jegens zijn bruid in hem op te roepen. Zij zeiden, dat ze veel te teruggetrokken leeft, zo weinig werkt en zich om hem niet veel bekommert. Deze ophitsers benadrukten dit alles dermate, dat hun getuigenissen niet slechts waar schenen, maar voldoende waren geweest Jozef tot toorn tegen Maria te prikkelen. De heilige antwoordde hen echter op een wijze dat zij beschaamd afdropen. En zo werd de duivel overwonnen. Jozef loofde namelijk met weinig woorden zijn gemalin, waarop deze jaloerse mensen nooit meer waagden, over haar te spreken. Anderen daarentegen kwamen naar Maria en zeiden boze dingen over Jozef. De heilige maagd echter, werd verlicht en alles doorziend, beschaamde met haar woorden deze kwaadsprekers niet alleen, maar bewerkte ook, dat zij allen hun vergissing betreurden. Geheel veranderd gingen zij huiswaarts, zij verwonderden zich over de schranderheid en heiligheid van de gemalin van Jozef. De boze werd steeds woedender, naar gelang hij zag dat hij door de deugden van Maria zwakker werd. Hij probeerde op verschillende manieren haar te verwarren, wat hem nooit gelukte. Satan kon het niet doorzien, hoe Maria zo’n macht over hem heeft. Hij beschouwde haar als een schepsel zoals alle anderen, want hij wist niets van de goddelijke kracht en genadevolheid in haar ziel. Toen zij gewaar werd dat de vijand meer dan ooit tegen haar en haar gemaal werkte, maakte zij Jozef erop attent, dat hij op zijn listen bedacht moet zijn. Dan baden zij des temeer, vastten en hielden zich bezig met vele goede werken, zodat de wederstrever hun niets kon aandoen. Zodra Jozef door wie dan ook in het nauw werd gebracht -de duivel gebruikte immers de mensen, om hen te verwarren- ging hij naar Maria en vertelde haar alles. Zij troostte en bemoedigde hem tot het geduldig verdragen van dit alles, want zo bracht hij God vreugde. Jozef werd daadwerkelijk door haar woorden gesterkt, deze vijandigheden rustig te overwinnen. Steeds meer groeide in hem de liefde en de hoogachting tot zijn bruid. Wanneer Jozef door de inspanningen van zijn handwerk veelal zeer vermoeid was, ging hij naar Maria en vroeg haar, hem enige verlichting te verschaffen, door voor hem een liefde tot Gods lof te zingen. De heilige maagd beantwoordde zijn verzoek en zong zo innig het goddelijk lofgezang, dat Jozef daarbij vaak buiten zichzelf geraakte van vreugde. Dan zei hij: “Mijn bruid, uw gezang alleen al voldoet, om ieder bedroefd hart te troosten. Wat een verkwikking bereidt u mij in mijn vermoeidheid! O welk een geluk is mij beschoren, u te horen zingen en spreken! Als uw blik mij troost brengt, dan kunt u geloven, hoezeer ik verheugd ben, wanneer ik u hoor zingen of spreken! Hoe zou ik ooit God kunnen vergoeden, dat Hij mij zo’n grote genade heeft geschonken?” Deze woorden vormden voor Maria de aanleiding, God de Gever van al het goede te loven. Dan zei zij tot haar gemaal: “Daarom giet God in mijn hart deze genade, waarmee u in uw moeilijkheden wordt getroost en in uw noden verlichting vindt!” De liefde en de dankbaarheid tegenover de heilige God verhoogde zich opnieuw en hij verbaasde zich over de deugden van zijn heiligste bruid.

JOZEFS VERLANGEN NAAR DE MESSIAS – DIENS MENSWORDING IN MARIA

In het hart van de heilige Maagd Maria ontvlamde zich steeds meer het verlangen naar de komst van de Messias, zodat zij in het innigste smeken tot God geheel opging. Zij sprak met Jozef steeds weer daarover, welk een vurig verlangen zij daarnaar streeft. Omdat Jozef erkende, hoezeer Maria naar de Verlosser verlangde, werd ook in hem dit verlangen steeds groter. Vol vertrouwen wendde hij zich vaak tot God met de woorden: “O mijn God! Het is nu steeds meer de tijd, dat uw wil wordt vervuld en U de wereld de verwachte Messias zendt, opdat Hij uw volk en de gehele wereld verlost, dat in de slavernij van de zonde leeft. U ziet, dat er maar weinigen zijn, die U erkennen en liefhebben. Daarom is het noodzakelijk dat U ons Degene zendt, die de mensen uw naam, uw macht, uw goedheid, uw barmhartigheid en al uw heerlijke volmaaktheden laat kennen. Eniggeborene zal allen de juiste weg kunnen tonen, die naar de hemel voert!” Hierop zei hij tot Maria: “U mijn bruid, mijne duive, smeek voortdurend tot God, want Hij heeft u zeer lief. Het is niet mogelijk, data Hij uw bede niet verhoort”. Maria maakte nu haar vurig verlangen bekend met de woorden: “Wij zijn eensgezind in dit gebed, laten wij niet ophouden, God te smeken, want Hij is goed en zal ons verhoren!” Jozef begon haar alles te vertellen, wat de engel hem vele malen in dromen over de komende Messias en zijn goddelijke eigenschappen had gezegd. Zij hoorde haar gemaal met grote vreugde aan en wenste, dat hij vaak zoiets zou mededelen, want zo ondervindt zij daarbij veel troost. Met deze gesprekken verenigden zij hun bidden, vasten en aalmoesgeven. Vaak zeiden zij tot elkaar: “Wanneer wij ooit het geluk hebben, te ervaren, dat de Messias in de wereld is gekomen, zullen wij zeker meteen naar Hem gaan, Hem aanbidden en Hem onze dienst aanbieden. Wij zullen Hem smeken, dat Hij ons mag aannemen, als wij ook slechts zijn geringe dienaren mogen zijn. Welk een geluk zal het voor ons zijn als Hij ons aanneemt! Wanneer Hij dan ook mag komen, zullen wij meteen op weg gaan om Heem zonder vertraging te vinden. O, hoe gelukzalig zullen wij zijn, als onze ogen Hem zien en onze oren zijn woorden zullen vernemen!”

Op de ononderbroken smeekgebeden van de heiligste maagd, die als machtige vlammen tot de troon van de Allerheiligste Drievuldigheid omhoogsloegen, liet God zich ontroeren en versnelde Hij de tijd van de komst van de Messias. Ook de smeekgebeden van de heilige Jozef waren God buitengewoon welgevallig. Het kwam echter noch bij Maria noch bij Jozef op, dat hen dit grootste geschenk van de hemel ten deel zou vallen, namelijk dat de Messias in de schoot van de allerheiligste maagd Maria het menselijke vlees zal aannemen. Daar beiden zeer deemoedig waren, voelden zij zich nauwelijks waardig ook slechts zijn dienaren te zijn.

Toen de door God bestemde tijd was gekomen, de wereld zijn eniggeboren Zoon te zenden en ook het vurig verlangen van de heiltigste maagd het hoogtepunt had bereikt, werd het eeuwige Woord van de Vader in de schoot van de reinste maagd-Mens- zoals dit als in de hele wereld bekend is. Dat, wat zich bij de menswording in Maria voltrok, wordt in dit boek niet bericht; want daarover is veel geschreven, in het bijzonder de levensbeschrijving van de heiligste maagd Maria. Hier wordt alleen geschilderd, wat Jozef in dit uur overkomen is; bijna de gehele voorafgaande dag bracht hij in de hemelse gesprekken door met zijn reinste bruid, waarbij hen een vurig verlangen naar de komst van de Messias vervulde. Toen hij zich had teruggetrokken en zich ter nachtrust had begeven, sprak zijn engel tot hem: “Jozef! Sta meteen op en smeek ten innigste tot God, want Hij heeft besloten, de gehele wereld een groot Goed te schenken”. De engel zei echter niet, wat dit grote geschenk is. De heilige werd gelijk wakker, stond op en knielde in gebed neer. Hij kon alleen dit ene gebed uitspreken: “God moge in zijn genade de beloofde Messias zenden!” Ook Maria smeekte tot God in haar kamer; zij had de gehele nacht gebeden.

Gedurende de menswording van de Zoon van God werd de geest van Jozef geheel tot God omhoog geheven en hij erkende in dit uur grote geheimen over deze menswording. Het werd hem echter niet geopenbaard, dat zijn bruid de gelukkige moeder van de zoon van God was geworden. Hem werd wel duidelijk, hoe kostbaar en welgevallig zij God is en dat haar vurig verlangen God heeft bewogen, de wereld zijn Zoon te zenden.

Toen Jozef weer tot zichzelf was gekomen, zegde hij God innigste dank. Hem scheen ieder uur zo lang als duizend uren, om naar Maria te gaan en deze wonderbaarlijke belevenis mee te delen, opdat ook zij zich verheugt en God in zijn naam dankzegt voor de heerlijke gunstbetuiging.

Op deze morgen talmde de heilige maagd Maria een lange tijd, om haar kamer te verlaten. Zij was geheel verzonken in de goddelijke vreugden, in de aanbidding van de Godheid en te danken voor dit wonder van de goddelijke liefde. Jozef, die daarvan niets wist, dacht dat Maria in gebed was, daarom waagde hij het niet haar te storen. Met veel geduld en overgave wachtte hij, tot zijn heilige gemalin haar vertrek verliet. Intussen beveelde hij haar God aan, opdat Hij haar steeds meer met genade verrijkt. Jozef erkende dat Maria dit verdient; hij zag immers hoe zij de schoonste deugden beoefende en ernaar streefde God steeds welgevalliger te worden.

Terwijl Jozef daar zo stond, wachtend, zijn geliefde bruid alles te vertellen, wat hem in deze nacht was overkomen, kwam zij uit haar kamer, zij, die door de heilige Geest de moeder van het goddelijk Woord was geworden. Maria echter gedroeg zich zoals altijd, zij deelde Jozef niets mede van het grote geheimvolle gebeuren. Zij wachtte erop, dat God het hem op de juiste tijd openbaart.

De heilige zag Maria bij de eerste aanblik met een boven alle begrip uitgaande schoonheid. Haar gelaat was van een helder licht omgeven, dat hem verbaasde en de grootste verering voor haar in zich voelde. Hij geloofde, dat zij in gebed de heerlijkheid van God heeft aanschouwd en vroeg niets verder. Maria groette hem zoals gebruikelijk, ofschoon zij zich al in de verhevenste toestand bevond.

De heilige maagd hield in haar schoot de Eniggeborene van God de Vader ingesloten, waardoor zij in een zee van vreugde was ondergedompeld. Deze vreugde straalde ook naar buiten; haar ogen fonkelden; maar de behoedzame bruid sloeg haar blik naar beneden, zodat het Jozef niet verrast. Zij hield het opwellen van de liefde terug om niet naar buiten de vreugde van haar geest en de jubel van haar hart te tonen. Jozef groette Maria vereringswaardiger dan tevoren, want hij bewonderde in haar de heerlijkheid van de goddelijke genade. Meteen begon hij haar te vertellen wat de engel hem in de droom had gezegd en welke wonderbare inzichten hem in gebed ten deel waren gevallen. Vervolgens zei hij tot Maria: “Ik geloof, dat u meer dan anders door God begunstigd bent geworden, want ik bemerk aan u heldere tekenen. Als ik, de armzalige, door God zozeer begunstigd ben geworden, des temeer eerst u, die Hij zo liefheeft en met genade heeft uitgerust!

Op deze woorden boog Maria het hoofd en vroeg Jozef dat hij tezamen met haar God mag loven en Hem danken voor alle aan hun bewezen genaden. De heilige was over deze uitnodiging ten hoogste verheugd en zij zongen nu tezamen goddelijke lof en dankliederen. Maria vervolgt dan: “Omdat de engel u heeft gezegd dat God de wereld een grote weldaad heeft bewezen, moeten wij Hem bijzonder daarvoor bedanken. Wij moeten dit ook in de naam van alle mensen doen, want wie weet, of iemand God daarvoor dankt, vooral wanneer deze weldaad niet openbaar is. Omdat de engel u over dit grote geschenk niets anders heeft gezegd, zal het zeker ook de overige mensen verborgen zijn. Daarom danken wij God in de naam van het hele mensengeslacht”. Jozef verheugde zich zeer over deze woorden. De heiligste maagd hief meteen lof en dankliederen aan en zong samen met hem. Op deze wijze onderhielden zij zich langere tijd. Jozef bewonderde de genade, hoee deze in Maria werkte. Bij zichzelf loofde hij God en dankte Hem voor alles, wat Hij zijn bruid heeft geschonken. Hierna begaf Jozef zich ter arbeid. Ofschoon Maria zich nu als de ware moeder van de Zoon van God erkende, verrichtte zij de gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden als voorheen en diende Jozef met nauwgezetheid. Zij bewees zich steeds als een toegewijde maagd.

Terwijl Jozef met zijn werk bezig was, voelde hij zich vaak aangetrokken om naar Maria te gaan. Hij had een innige, eerbiedige en steeds heilige liefde tot haar; daarom kon hij niet langere tijd van haar verwijderd zijn, zonder zich geweld te moeten aandoen. Zijn mensgeworden God – ingesloten in de schoot van Maria- trok immers zijn geest tot zich. Ofschoon voor Jozef dit geheim verborgen was, zo bewerkte het toch de sterke liefde, dat zij vaker samenkwamen, om zich in wederzijdse aanblik en in heilige gesprekken te verheugen.

Jozef proefde in het onderhoud met zijn heilige bruid een onvergelijkelijke vreugde. Het was de mensgeworden God welgevallig, deze trouwe dienaar vol eerbied voor Zich te zien en het goddelijk Kind vervulde hem met vele genaden. Ook dit erkende de heiligste moeder en ook zij verheugde zich hierover. Jozef vroeg zijn gemalin, dat zij hem moge vergeven, als hij haar met zijn bezoeken lastigvalt en haar stoort; doch hij voelt zich met geweld aangetrokken, want in haar tegenwoordigheid ondervindt hij een ongewone troost zoals nooit tevoren. Maria was buitengewoon vriendelijk en zei, dat hij zonder bezwaar vaker naar haar toe moet komen; zij zouden dan iedere keer voor God een lied zingen, zodat Hij wordt geloofd en zij daardoor zijn genade en gunst verwerven. Zo vaak Jozef zijn gemalin opzocht, kwam zij hem mooier en heiliger voor dan voorheen, waardoor hij haar steeds grotere verering schonk.

Slechts korte tijd duurde voor Jozef dit geluk. Omdat de engel bij de aankondiging van de menswording van Gods Zoon tot Maria had gezegd, dat haar bloedverwante Elisabeth al zes maanden een gezegend lichaam heeft, wilde zij deze bezoeken, vooral omdat zij wist, dat de Zoon van God zijn voorbode -Johannes de Doper- al in de moederschoot wilde heiligen. Jozef kreeg in de droom van de engel de aanwijzing, Maria naar Elisabeth, die een kind verwachtte, te voeren; zij moet tot zijn geboorte daar verblijven en haar bijstaan. Deze boodschap trof het hart van Jozef smartelijk; zou hij dan toch zo lang Maria moeten missen. Hij deelde nu zijn bruid de woorden van de engel mede. Maria zei, dat ook zij hierover de wil van God kent en vroeg hem, zo snel mogelijk haar naar deze plaats te voeren. Toen zij Jozef zo bedroefd zag, bemoedigde zij hem met de woorden: “Wees niet bang, ik zal u voortdurend in gedachten houden. Ik zal het niet nalaten, u aan God aan te bevelen. Na drie maanden zullen wij weer tezamen zijn, om God te loven en Hem te dienen. Onze harten zullen echter niet gescheiden zijn in de liefde tot God, onze Geliefdste. Hij alleen is immers aller liefde, al de lof en getrouwe dienst waard. Nu wil Hij ons met deze scheiding beproeven, of wij Hem geheel zijn toegewijd. Wij zijn verplicht, ons Hem de grootste trouw te bewijzen, daar wij meer dan alle andere schepseleen ons verheugen over zijn gunsten en genaden”. Deze woorden sterkten Jozef zeer en hij was bereid, door het ontberen van de aanwezigheid van zijn geliefde bruid de wil van God te vervullen. Hij had echter bedenkingen, Maria over zulke slechte wegen door een onherbergzame omgeving te voeren, omdat zij kwetsbaar was en daaronder zal lijden. Deze zorg deelde hij haar ook mee. Zij echter gaf Jozef de verzekering, dat de reis goed zal verlopen, omdat zij hierin de wil van God vervult en Hij daarom niet zal nalaten, haar bij te staan en voor haar te zorgen. Maria toonde zich zeer verlangend, zo spoedig mogelijk af te reizen. Jozef, die dit bemerkte, vroeg waarom zij met zo’n vrolijkheid zich op deze bezwaarlijke reis wil begeven. “Wilt u al die onaangenaamheden doorstaan, die men tijdens de reis te verduren heeft?” zei hij. “Is het niet waar, dat u het verlangen heeft uit liefde tot God te lijden?”(Men denke aan de toenmalige wegen en reisomstandigheden!) De heilige maagd antwoordde hem, dat zij hierin met totale bereidwilligheid de goddelijke wil zoekt te vervullen.

Toen Jozef nu de beweeggrond van haar verlangen ervoer, kwamen zij daarin overeen, zich op reis te begeven. Zij beveelden zich God aan en baden Hem om zijn zegen. Maria vroeg ook nog de zegen van haar gemaal. De heilige kon haar dit niet weigeren; hij was heel ontroerd, toen hij de gratievolle maagd aan zijn voeten zag knielen en zegende haar met grote innigheid van harte.

JOZEF ALS VOORSPREKER VOOR DE STERVENDEN

september 26, 2022

Opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB (Het leven vd H.Jozef)

Onder de vele gaven, die Jozef van God had ontvangen, was zijn genegenheid tot de stervenden uniek. Hij wist dat de duivel met inspanning van al zijn krachten, hun zielen wil winnen en ze in de eeuwige pijn voeren! Jozef werd door zijn engel eens opmerkzaam gemaakt, in welk gevaar de stervenden zich bevinden en wees op de noodzakelijkheid van bijstand in deze laatste strijd. Terwijl de engel hem dit openbaarde, legde God in zijn hart een groot medelijden en innige liefde tot de stervenden.

Daar God de heilige Jozef tot voorspreker van de stervenden heeft bestemd, moest hij ook al tijdens zijn aardse leven zich in dit werk met grote liefde beoefenen. God liet hem de zware nood erkennen, welke zij in de laatste ogenblikken hebben. Van het sterven hangt immers een eeuwigheid af; een eeuwigheid van altijddurende zaligheid of nooit eindigend ongeluk en ellende; daarom was Jozef zo begaan, de stervenden te helpen en deed hij dit met de hoogste voorzorg. Wanneer hij wist, dat iemand in doodstrijd lag, was hij rusteloos. Hij at niet en knielde urenlang voor God in gebed, opdat deze ziel in de schoot van Abraham moge rusten. Wanneer Jozef het geluk had, bij een stervende te zijn, verliet hij hem niet, tot hij zijn leven had uitgeademd. Hij bemoedigde de stervenden, op de barmhartigheid van God te vertrouwen en de aanvallen van de helse machten te overwinnen. De stervenden voelden grote kracht door de bijstand van de heilige Jozef, de boze geesten echter werden zeer verzwakt door zijn gebeden. God schonk de heilige Jozef deze genade, zodat allen bij wiens dood hij aanwezig was, niet verloren gingen. Jozef erkende dit heel duidelijk; hij was dan getroost en zei God dank.

De duivel werd zeer woedend op deze wonderbare werken. Op een nacht, toen hij door Jozef het verlies vaneen ziel moest ervaren, verscheen hij hem in een afschrikwekkende gedaante. Hij bedreigde Jozef, hem ten val te brengen, als hij niet ophield met zijn dienstwerk. De heilige werd bang, toen hij dit afgrijselijke monster zag en wendde zich tot God om zijn hulp, waarop de helse draak verdween. Jozef verbleef in gebed, gedurende welke God hem meedeelde, niet bang te zijn, maar het liefdeswerk voor de stervenden voort te zetten; dit behaagde God ten zeerste. De heilige vatte nu nieuwe moed en was geheel getroost. Hij voelde zich des temeer tot de stervenden aangetrokken en zette zijn vurige gebeden voor hen voort. Eenieder, die Jozef in zijn stervensuur in zijn nabijheid had, was rustig en troostvol, want door zijn gebed kon hem de vijand niets uitrichten en zijn ziel verlangde het heil.

Ook door dit hulpbetoon moest Jozef veel ellende verduren van de booswichten, die door de duivel werden opgehitst. Daarom liet hij zich echter niet afschrikken, deze God welgevalligen en de naasten een zo nuttige dienst te verlenen.

Toen Jozef op een dag vanwege de vervolging zeer bedroefd was, zei zijn engel hem, goede moed te vatten en deze waardevolle dienst niet na te laten, want God zal hem een heel bijzondere genade in zijn stervensuur bewijzen. De engel openbaarde hem niets naders. Jozef had echter in zijn laatste uur het grote geluk onder de liefdevolle bijstand van Jezus en Maria te sterven. Door de boodschap van de engel. zette Jozef zijn liefdeswerk voort. Zodra het om een God welgevallige zaak ging, spande hij zich met alle ijver in; en niemand kon hem daarvan afhouden.

Soms maakte de engel de heilige Jozef in de droom opmerkzaam, wanneer een stervende zijn gebeden nodig had. Dan stond hij direct op om Gods gunst en genade voor deze mens af te smeken. Jozef bad zolang tot God hem zijn hulp had verzekerd. Vaak verkreeg hij van zijn engel de mededeling, dat er velen zijn, die eeuwig te gronde gaan. Hij was daarover zo bedroefd, dat hij de hele volgende dag bitter weende en betreurde het, dat hij niet bij het sterven van allen aanwezig kan zijn, om hen tot een goede ‘thuisgang’ bij te staan. Met vurig smeken wendde Jozef zich tot God, spoedig de Verlosser te zenden, zodat Hij de zielen van de slavernij van satan bevrijdt. Wanneer dan zijn ouders hem vroegen, waarom hij zo bedroefd is en weent, antwoordde hij deemoedig en toch vrijmoedig: “Ik beween de niet weer goed te makende ondergang van zo vele zielen, die God heeft geschapen, om ze tot de eeuwige rust te voeren. Maar zij gaan door eigen schuld te gronde. De duivel heeft een grote macht over de mensen. Laten wij God bidden, dat God spoedig de Messias mag zenden, waarmee Hij de Satan de heerschappij ontneemt en de zielen uit zijn tirannie worden bevrijd”. Dit zei Jozef met sterke beklemtoning en met zoveel medelijden, dat zijn ouders weenden en God om de spoedige komst van de Messias afsmeekten.

Vaak bad Jozef voor de gezondheid van zieken, die in zonden waren verstrikt. Hij smeekte God dat Hij de gezondheid weer mag herstellen, zodat zij berouw krijgen over hun zonden een dan worden gered. Om deze genade te krijgen bracht hij hele dagen in gebed en vasten door. Het kwam zelden voor, dat Jozef de afgesmeekte genaden niet had verkregen. Al zijn geestelijke werken waren slechts voor God openbaar, voor de mensen echter verborgen.

Hoe aangenaam God de gebeden van Jozef en zijn liefde tot de stervenden was, kon hij bij zichzelf ervaren. God liet het niet na, hem te verhoren en met vertroostingen te verkwikken. Vaak mocht Jozef de lieflijkheid en vermaak van zijn God op zo’n wijze ondergaan, dat hij soms geheel daarin was verdiept en met de heilige koning David zei: “Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel”(Ps. 72,26). Vervuld van de liefde en vreugde in God, behoefde hij dagenlang geen voedsel; hij voelde een wonderbare bevrediging en wist niets anders te spreken en te denken dan over God en zijn oneindige liefde.

JOZEF NEEMT TOE IN LIEFDE TOT GOD EN WIJSHEID

Met het toenemen der jaren maakte Jozef ook grote vorderingen in de liefde tot God alsook in alle deugden. Hij studeerde vlijtig in de heilige Geschriften. De psalmen van David kenden hij bijna van buiten, om ze vaak te verhalen. Zo bracht Jozef deze levenswijze vijftien jaar door. Zijn hele streven gold de verheerlijking van God, de liefde tot Hem en tot de arme medemensen. Nooit bezorgde hij God een misnoegen. Jozef bewaarde steeds zijn onschuld en was erop bedacht, ook de geringste schaduw van een zonde te ontvluchten. Hij nam de vermaning van de heilige Geest ter harte: “Wie kleine fouten geringacht, valt in zware”. Daarom was Jozef ook in kleine dingen zeer gewetensvol. Hij was nooit

nieuwsgierig: toch wist hij hoe David en anderen daardoor in de zonde zijn gevallen. Hoe meer Jozef zich inspande om God meer trouw te zijn, des temeer genade verkreeg hij en des te inniger werd zijn liefde tot Hem, het doel van al zijn wensen. Wanneer het echter Jozef soms overkwam, deze of gene grapjas te zien, wat mogelijk in het hart het verlangen tot een zonde kon veroorzaken, verhief hij meteen zijn ogen ten hemel en beschouwde de schoonheden van God. Zo ervoer hij steeds meer, dat de omgang met God de hoogste vreugde schenkt!

Jozef erkende, dat zijn ouders hem al hun liefde gaven. Hij vreesde, dat daardoor hun liefde tot God wordt beïnvloed. Bij gelegenheid sprak hij met hen hierover en zei hun, dat hij hun hartelijkheid wel met vreugde aanneemt; zij moeten echter op de eerste plaats hun liefde aan God schenken. Hij alleen verdient boven alles liefgehad te worden. Met deze woorden van hun zoon, werden de ouders gesticht. Zij spanden zich vervolgens in, hun overgrote liefde binnen de perken te houden. Jozef was daarover gerustgesteld en dankte God, dat de ouders zijn vermaning goed hebben opgenomen.

De heilige wilde zijn vroomheid en deugdzaamheid nooit tentoonstellen; alles deed hij in het verborgene. Nooit verwaardigde hij zich, met wie dan ook, geleerde uiteenzettingen over de heilige Schrift te maken, ofschoon hij in de Mozaïsche wetten zeer geleerd was. En zo hielden de mensen hem voor een minderbegaafde. De deemoedige Jozef was hierover tevreden.

Jozef wilde ook nooit horen, noch daarover spreken, wat er voor nieuwtjes waren in de stad. Hij zei, dat hem dit de ijver ontneemt, die hij zowel voor God als voor de religieuze studie moet hebben. Daadwerkelijk leefde de heilige zeer teruggetrokken. Hij vermeed alles wat enigszins zijn omgang met God had kunnen verstoren. In dit opzicht werd Jozef verlicht. Hij zag helder, hoe hij moet leven, om zich in de vriendschap met God te kunnen verheugden. Jozef liet daadwerkelijk niets na, waarmee hij zijn God vreugde kon schenken.

Ook werd Jozef met een bewonderenswaardige kunde begiftigd, om de bedroefden te troosten! Wanneer hij met een lijdende in gesprek kwam, had hij zulke opbeurende woorden, dat diegene grote veerlichting bespeurde. Hierop smeekte hij ook God om troost voor de betreffende persoon. In zijn woonplaats werd het spoedig bekend, dat Jozef een zo liefdevolle manier van doen heeft om de bedroefden te troosten, waardoor velen hem thuis bezochten. De heilige bemoedigde hen in hun ellende. Hij zei hun, zich geheel aan God toe te vertrouwen en van Hem al het goede te hopen, want Hij alleen vermag ieder rijkelijk te geven! Dan beval hij hen aan, God te smeken, dat Hij in zijn goedheid weldra de in de wet beloofde Messias zendt, die allen heil zal brengen. Zo vele noodlijdenden, die door hun grote armoede waren terneergeslagen, wendden zich vertrouwend tot Jozef. Dan vroeg hij zijn ouders onderdanig om hulp voor de betreffende; zij stonden immers hun zoon in alles ten dienste. Vaak kreeg hij van zijn vader geld, waarmee hij zelf de nood van zulke mensen kon lenigen. Jozef verdeelde dit met grote vreugde en zei daarbij tot de armen: “Beschouw dit als een gave van God, want in feite geeft de goede God mij geld door mijn vader, opdat ik het u kan schenken. Daarom behoren jullie zoals ook ik, God, de Gever van al het goede, te danken”. Met deze woorden wilde Jozef vermijden, om voor de werken van zijn naastenliefde geprezen te worden. Ook hij beschouwde zich als een arme, echter door God met weldaden overladen, opdat God alleen door allen deze lof en dank wordt bewezen. Deze begunstigden hadden Jozef lief en prezen hem in de stad. Dit was weer een aanleiding tot nijd. Zij hoonden Jozef, dat hij alles deed, om geloofd en geprezen te worden. De duivel gebruikte deze kwajongens, om de goedheid van Jozef in een slecht daglicht te stellen. Doch Jozef was daarover niet in het minst gekrenkt. Het mishaagde hem toch, dat zij daardoor God beledigden en hij smeekte Hem om verlichting voor deze mensen. Wanneer Jozef deze lasteraars ontmoette, gedroeg hij zich hoffelijk en gaf hun de gelegenheid een gesprek aan te knopen en hij zei: “Past op, dat jullie God niet mishagen, overigens maakt het weinig uit, wanneer jullie mij beledigen”. Enige van die booswichten kwamen tot inkeer. Jozef toonde in alles deemoed en bescheidenheid. Wie met hem omgang had, kon erkennen, dat hij door de goddelijke Geest was bezield en velen werden hem welgezind.

Jozef volhardde vast in het geloof aan de beloften, die God hem indertijd door de engel had gemaakt, ofschoon het scheen, dat deze lang niet in vervulling zouden gaan. Hij smeekte steeds weer daarom en volgde zo Abraham in geloof na.

Zoals Jozef met zo’n overgave de weg van de goddelijke geboden ging en zijn ziel vol van vreugde was, werd hij in zijn trouw beproefd. God onttrok hem de verlichting, de innerlijke troost, ja zelfs de bijzondere bijstand van de engel. Weldra bevond hij zich in een toestand van angst en treurigheid, hij was zeer bevreesd, God beledigd te hebben. Hele nachten bracht hij in gebed door en steeds weer smeekte hij God, dat de engel hem de oorzaak van deze verlatenheid laat weten, zodat hij de verschuldigde genoegdoening kan geven. Jozef verbleef enige maanden in deze benardheid. Hij verdroeg het met veel moed en in de vaste hoop, dat God hem weer genegen zal zijn. Hoe meer hij zich verlaten voelde, des te meer versterkte zijn geloof en het vertrouwen op God en des te liefdevoller en met meer overgave vertrouwde hij zich aan Hem toe in gebed. Vaak zei hij tot God, dat hij dit verlaten zijn verdient als gevolg van een slechte beantwoording aan zijn genade.

In deze tijd werd de heilige vooral van de kant van de duivel met bekoringen en wantrouwen gekweld. Maar hij bleef sterk en vertrouwde steeds op de grote goedheid van God.

Nadat Jozef geduldig en met overgave deze toestand had verdragen en de aanvallen van de helse vijand overwonnen, behaagde het God zich wederom aan zijn getrouwe dienaar mede te delen. Toen hij op een nacht zeer bedroefd was en bad, vernam hij de innerlijke stem van zijn geliefde God. Hij kreeg nu de zekerheid, dat God hem zeer bemint en hem door middel van zijn genade steeds aan zijn zijde was! Door deze goddelijke stem, doordrongen van een alles omvattende liefde, werd Jozef gesterkt en zijn geest verlicht. Hij weende vol van innerlijke vreugde, hij loofde God en dankte Hem voor de wonderbare troost en de weder verkregen vrede.

Jozef bracht een tijdlang in dankzegging en hartelijk gesprek met God door, dan begaf hij zich te ruste. Nu sprak ook de engel weer tot hem. Hij zei tot jozef, dat hij in deze beproeving door standvastigheid, liefde en trouw, God veel vreugde heeft bereid. Toen Jozef wakker werd, vervuld van troost en tevredenheid en hij tot zijn engel bad, voor hem de aan God toekomende dank te betuigen, want hij hield zichzelf daarvoor onwaardig!

Toen Jozef zich weer in deze gelukzalige toestand bevond, en God zijn ziel opnieuw met licht en kennis vervulde, loofde hij steeds weer deze goedheid en bij iedere gelegenheid sprak hij over de goddelijke heerlijkheden, waarbij de liefde in hem zo ontvlamde, dat zijn ogen straalden. Vooral bemerkten dit zijn ouders, die vaak met elkaar spraken, over welk geluk hen door hun zoon is ten deel gevallen.

Toen de heiligste Maria geboren werd, zei de engel tot Jozef in de droom dat hij God mag danken voor een heel grote weldaad, die Hij deze dag de mensen, in het bijzonder echter hem heeft bewezen. Jozef stelde geen vragen aan zijn engel, om nadere inlichtingen te bekomen. Hij stond meteen op om God voor het grote geschenk te danken. Hij was daarbij buiten zichzelf van gelukzaligheid. In deze toestand weerden hem vele geheimen over de toekomst van de beloofde Messias en diens moeder geopenbaard. Des te inniger verlangde hij nu naar het komen van de Messias en zijn gebeden daarvoor werden steeds inniger. Hiermee bereidde Jozef zijn God veel vreugde. Het is de Allerhoogste aangenaam, wanneer de mensen met veel smeekgebeden Hem aanroepen, opdat Hij genade in rijke mate kan schenken! In dit opzicht vervulde Jozef volop de goddelijke wil.

ST.JOZEF DOOR DE DUIVEL GEKWELD-JOZEFS GEDULD

september 26, 2022

Opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB

De gemeenschappelijke vijand van al het goede knarsetandde van woede vanwege de wonderbare deugden, die Jozef steeds beoefende en omdat door zijn goede voorbeeld ook vele anderen daartoe werden aangespoord. De vijand wist niet, hoe het te moeten aanpakken om Jozef tot boosheid en ongeduld te brengen en hem van zijn ijver voor de eer van God af te brengen. Daarom stuurde hij eropaan, enige lieden, die een slecht leven leidden, tegen Jozef op te hitsen en in hen een verschrikkelijke haat op te roepen. De vrome levenswijze van de heilige prikkelde namelijk deze lieden tot groot verwijt en sterke beschaming. Zij kwamen overeen, om hem bij de volgende ontmoeting te beschimpen. Toen nu Jozef deze uitgelaten jongens ontmoette -zij beraamden een samentreffen met hem- begonnen zij hem te bespotten. Hij echter zweeg en smeekte God om grote kracht voor zichzelf, voor de anderen echter om het inzicht van hun boosaardigheid. Omdat Jozef zich om hun woorden niet bekommerde, noemden zij hem een domkop, een lafaard en een angsthaas, die niet voor rede vatbaar is. Jozef ging zijn eigen weg. Deze jongens volgden hem met grote brutaliteit en vielen hem nog meer lastig. Jozef twijfelde of hij hen rustig moet antwoorden of alles over zich heen moest laten komen. Toen vernam hij een innerlijke stem, dit alles te dulden en te zwijgen; want zo brengt hij God vreugde. Jozef was meteen besloten deze vervolgingen zwijgzaam, ja vrolijk te verdragen. ZO werden deze spotters beschaamd en de duivel verslagen. Zij lieten Jozef echter niet lang met rust. Zodra hij zich buitenshuis begaf, om werkzaamheden te verrichten, kwamen steeds deze brutale jongens op hem af. Doch hij beklaagde zich nooit hierover, ook niet bij zijn ouders. Jozefs vader werd echter ingelicht, hoe men zijn zoon lastigvalt. Hij onderzocht of dit gebeuren waar was en wilde deze snuiters flink tot de orde roepen. Jozef echter vroeg zijn vader te zwijgen; want hij heeft de zekerheid, dat hij door geduldig dit onrecht te verdragen zijn God behaagt. En hij voegde nog toe: “U weet, mijn vader, hoe heldhaftig onze patriarchen en profeten de vervolgingen hebben verdragen, ja, hoe zelfs koning David zoveel onrecht over zich liet komen. Wij weten, dat deze vrienden en lievelingen van God waren. Laat ons daarom hen navolgen, wanneer God ons hiertoe de gelegenheid geeft”. De vader voegde zich naar de woorden van zijn zoon; hij liet hem dus deze tegenspoed verdragen, zonder zijn gerechtvaardigde ongenoegen over zijn zoon aangedane beledigingen te uiten.

Daar de vijand van al het goede door de deugdzame jongeling steeds meer werd beschaamd, probeerde hij op een andere manier de vrede van zijn hart te verstoren en hem tot ongeduld te brengen. Hij hitste een slechte vrouw op, die de vrome Jozef niet graag zag. Zij ging vaak naar zijn moeder, om velerlei kwaadaardigheden over hem naar voren te brengen. Zij zei, dat Jozef door allen wordt afgekeurd en uitgelachen, hij is allerminst goed en zal met de tijd zijn gehele vermogen hebben verbruikt, omdat hij zo lichtzinnig aalmoezen geeft. Omdat vele armen dit bemerkten, volgen zij hem zodra hij uit huis gaat. Hoewel de moeder van Jozef zeer wijs en verstandig was en wist welke geaardheid haar zoon bezat, werd zij toch door het voortdurend praten van deze vrouw verward, wat God tot beproeving van de heilige toeliet. Zij gaf van nu af aan haar zoon ernstige berispingen. Hij liet deze met geduld over zich heen komen, zonder tegenspraak, ofschoon hij wist, van wie dit alles kwam. Slechts een enkele keer zei hij zijn moeder, dat deze lasterpraatjes een werk van de duivel is, om haar te verontrusten. Toen erkende de moeder de list van de vijand en wees deze persoon af, die slechts strijd in het huis zocht te brengen.

De boze echter stopte niet met zijn belagingen. Hij vond nu een nieuwe list om Jozef te verwarren, terwijl hij hem influisterde, dat hij een heel onberispelijk leven leidt, zowel voor God, alsook voor de mensen, waarop hij trots kan zijn. De verleider bewoog zelfs enigen om Jozef in zijn tegenwoordigheid te loven en in zijn deugden te prijzen. Toen werd de heilige in zijn innerlijk getroffen; hij verdeemoedigde zich voor God en deze mensen. Bij zulke gelegenheden zei hij steeds: “ik ben slechts een heel klein schepseltje; laten wij onze God loven, Hij alleen is lofwaardig en volmaakt in al zijn werken”.

Op velerlei wijzen moest Jozef de aanvallen van de duivel doormaken, alleen tegen de kuisheid durfde hij hem niet in verzoeking te brengen. Daarover knarsetandde de vijand en rustte niet voor hij de gelegenheid vond dat Jozef minstens slechte woorden te horen kreeg. Daar hij echter de hoogste onschuld en eenvoud bezat, verstond hij de betekenis van zulke uitlatingen in het geheel niet. Wanneer Jozef op enigerlei wijze door de boze in het nauw werd gebracht, beval hij zich God in hoogst innig gebed aan. Eens zei de engel hem, dat hij niet alleen bidden, maar ook moet vasten. Dat deed hij dan op heldhaftige wijze. Zo zegevierde hij over de helse vijand, totdat hij hem opnieuw met zijn listige streken prikkelde.

Velen berispten het teruggetrokken en eenzame leven van de heilige Jozef. Vaak kwamen leeftijdsgenoten in huis, om hem voor pleziertjes mee te nemen. Jozef echter verontschuldigde zich steeds op edele wijze. Hij zei, zich bezig te houden met de studie van de heilige Schrift en ook de levenswijze van de aartsvaders en profeten te leren kennen, om ze te kunnen navolgen. Zij zijn immers de lievelingen van God geweest en door Hem begunstigd. Jozef bemoedigde dan deze jongens hetzelfde te doen. Het ontbrak niet aan degenen, die gehoor schonken aan zijn woorden en zich inspanden hem na te volgen; want hij beleerde hen met zo een geestdrift, dat zijn woorden hun harten doordrongen.

Nadat Jozef deze goede beraadslagingen en vermaningen had medegedeeld, trok hij zich in gebed terug. Hij smeekte God, dat hij aan hen allen zijn bijzondere hulp en genade wil schenken, opdat zij het goede kunnen volbrengen. En toen hij hoorde zeggen, dat deze jongens zijn raadgevingen navolgden, verheugde hij zich en dankte God. Het ontbrak ook niet aan degenen, die zijn beleringen afkeurden en slecht uitlegden. In dit geval beschuldigde Jozef zichzelf, dat hij onwaardig is anderen te vermanen. Hij trok zich dan terug en weende. Hij smeekte God om barmhartigheid voor degenen, die hem wegens zijn vrome gezindheid bespotte, verder smeekte hij Hem, niet op zijn tekortschieten neer te zien en ieder te verlichten, opdat zij de goddelijke waarheid erkennen.

God had een groot welgevallen aan dit gebed en Hij beschikte het zo, dat Jozefs wensen niet onverhoord bleven. Want meestal kregen deze jongens berouw over hun afwijzende houding en gingen weer naar Jozef toe, om zijn onderrichtingen te horen. Jozef dankte God hiervoor hartelijk.

JOZEF WORDT EEN ZELFSTANDIGE TIMMERMAN

september 26, 2022

Opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB.

Nadat Jozef had ervaren, hoe hij God moet dienen en zich in zijn levensonderhoud voorzien, huurde hij in de nabijheid van de tempel een kleine werkplaats en schafte hij het nodige gereedschap aan. In deze ruimte werkte hij, sliep hij en naam daar ook zijn karige maaltijd. De werkplaats verliet hij eigenlijk alleen, wanneer hij naar de tempel ging of iets noodzakelijks te doen had. Zijn voedsel bestond meestal uit brood en vruchten, hij dronk weinig wijn en dan vermengd met veel water. Zijn lievelingsgerechten waren gekookte kruiden en peulvruchten, die hij echter zelden tot zich nam. In werkelijkheid leidde hij een zeer karig leven. Maar God vervulde hem altijd met hemelse vreugde. Men zag ook nooit lieden in deze werkplaats, die zomaar voor een praatje bij hem kwamen, want Jozef vermeed onnut geklets. Daar men hem voor een eenvoudige, wat dwaze mens hield, leefde hij in vrede en eenzaamheid. In zoverre mensen kwamen en zijn werk aanschaften wat nuttig scheen; Jozef liet dan aan hen het bedrag van het verdiende loon naar hun goeddunken over. En wanneer hij geld voor zijn moeite ontving, nam hij het dankend als een liefdesgave aan. Hij behield daarvan voor zichzelf slechts zoveel, als hij voor zijn behoeften nodig had, het overige verdeelde hij onder de armen; want zo had hem de engel bevolen.

Jozef raakte ook vele malen in nood. In dat geval ging hij naar de tempel en hij smeekte God hem zijn bijstand te verlenen. En God kwam zijn dienaar te hulp. Jozef kreeg vaak weerkopdrachten, ondanks dat hij in zijn bescheidenheid geen reclame maakte. En wanneer het hem weer aan werk ontbrak, wendde hij zich vertrouwvol tot de Goddelijke voorzienigheid, die hem nooit verliet.

Wanneer nu Jozef in deze kleine werkplaats was, wierp hij zich vaak ter aarde en beval zich God aan met de woorden: “Zie, mijn God, ik ben geheel de Uwe. Er is niets wat mij van U kan scheiden. Ik heb niets dan U, U bent mijn gehele erfdeel, mijn enige steun. U bent mijn vreugde, mijn alles. Van U verwacht ik hulp en sterkte. Buiten U wil ik niets. Graag verkies ik armoede, vernedering, lijden, want daardoor zal ik U, mijn God, welgevallig zijn, daar U mijn enige Heer en volkomen Heerser over mij bent!” Op deze manier sprak Jozef met God, waardoor hem veel vreugde ten deel viel. Hij hield zich ook vaak in de tempel op, om te bidden. God beschikte het zo, dat hij door niemand werd opgemerkt.

In deze tijd bevond zich de heilige maagd Maria in de tempelschool. Haar vrome en buitengewone deugdzame leven bewonderden alle tempelmaagden, in het bijzonder degenen aan wie haar opvoeding was toevertrouwd. Jozef wist echter niets van deze gebeurtenis. Op een nacht echter openbaarde zijn engel hem in de droom, dat er in de tempel een meisje is, dat God wegens haar wonderbare reinheid en deugdzaamheid buitengewoon liefheeft. Ja, men kan de liefde van God tot dit mensenkind en zijn welbehagen in haar in het geheel niet bevatten. Dit meisje is Maria, de dochter van Joachim en Anna, die hij beiden immers goed kent. De engel deelde dit mee, opdat hij God hiervoor looft en Hem dankt voor de genaden en gunstbewijzen, die Hij Maria geschonken heeft. De engel zei tot Jozef, dat hij zich moet verheugen, dat er op aarde een schepsel is gegeven, dat zo heilig en kostbaar is voor God. Jozef werd vol vreugde wakker over deze boodschap; hij dankte God en loofde Hem. Daarbij voelde hij in zijn hart een heilige liefde tot deze maagd ontvlammen, zodat hij zeer vaak naar de tempel ging, bewogen van de liefde tot haar. Alhoewel hij haar nooit zag, beminde hij haar vanwege haar deugdzame levenswandel. In de tempel bad hij en dankte God dat er zo’n heilig mensenkind op aarde is. Jozef bad God, dit meisje steeds meer met genade te overladen en met het toenemen der jaren ook steeds in de deugd te doen rijpen.

God nam de gebeden van onze Jozef met welgevallen aan. Hierover gaf God ook Maria een heldere verlichting, waarin zij de vroomheid van Jozef erkende en hoe deze voor haar bidt. Nu bad ook Maria tot God, dat Hij Jozef met zijn liefde en genade wil vervullen. En God verhoorde op wonderbare wijze het smeken van Maria. Zowel Jozef alsook Maria beveelden zich wederzijds God aan. In een tijdsbestek van bijna tien jaar verheugden zij zich op de vruchten van elkaars gebeden. Zij beminden elkaar geheel in God, zonder elkaar ooit gezien te hebben en wisten alles door goddelijke openbaring. Slechts enige keren verzekerde de engel in de droom aan Jozef, dat Maria veel voor hem bidt, waardoor hij zeer verheugd was. Ook deelde de engel hem mee, dat Maria zich geheel aan God heeft overgegeven en een maagdelijk leven heeft beloofd, wat voor Hem boven alles kostbaar is. Toen de heilige dit vernam, werd hij geheel begeesterd, Maria hierin na te volgen. Toen echter een dergelijke gelofte aan God tot dan toe onbekend was, wist Jozef niet, of God hem dit toestond en Godwelgevallig is. Zo begaf hij zich in de tempel om God te smeken, dat hij hem in deze bijzondere aangelegenheid zijn wil bekendmaken wil. Na veel gebed verwaardigde God zich, zijn welgevallen daarover bekend te maken, toen ook Jozef Hem een maagdelijk leven belooft, en Hij verzekerde hem zijn bijzondere genade daartoe.

Tegelijk beloofde hij nu ook zijn God, altijd maagdelijk te blijven. Terwijl hij deze gelofte maakte, vervulde God hem met onuitsprekelijke vreugde als teken van zijn welgevallen daaraan. Door goddelijk licht verlicht, erkende Jozef nu ook de vele voortreffelijkheden van deze verheven deugd en waardeerde haar des temeer. Met grote innigheid dankte hij nu zijn God en vol vreugde in het hart ging hij naar zijn werkplaats thuis. In de volgende nacht verzekerde de engel hem nadrukkelijk het bijzondere welgevallen van God aan het toewijden van zijn leven ter navolging van de heilige maagd Maria. Hij zei hem ook, dat Maria geheel opgaat in het verlangen naar de Messias; ononderbroken smeekt zij tot God. Dit smeken is Hem buitengewoon welkom. Met zekerheid wordt daardoor het komen van de Messias op deze wereld bespoedigd. Ook hij moet in dit opzicht Maria navolgen, om God steeds welgevalliger te worden. Toen de heilige wakker werd, stond hij meteen op en inniger dan voorheen smeekte hij God nu, dat Hij de beloofde Messias spoedig wil zenden. Hierop begaf hij zich naar de tempel en herhaalde deze bede. Jozef ontving toen een grote verlichting, waarin hij vele goddelijke geheimenissen erkende in betrekking tot de eigenschappen en de deugden van de Messias in zijn verkeer onder de mensen. Daardoor steeg in hem nog meer het verlangen naar deze komst. Hij wenste vurig Hem te zien en met Hem te verkeren. In zijn deemoed hield hij zich steeds echter daarvoor te gering; doch hij vertrouwde geheel op de goedheid van God, die hij al zo wonderbaar zelf had ervaren.

Met Gods genade en door de gebeden van Maria geraakte Jozef in een levensstaat zodat hij een engel in het paradijs scheen te zijn. Zijn geest was steeds met God bezig, zijn liefde tot God werd steeds vuriger; ja, zijn hele verlangen ging daarheen, God in al zijn doen vreugde te bereiden. Vaak vergat hij te eten, omdat hij zich verzadigd voelde door de vreugde, die hij in het gesprek met God ondervond. Wederom zei hij: “Mijn God, wat schenkt U mij, een arm schepsel, zulke grote genaden en gunstbewijzen! O, wat is uw goedheid tot mij zo overvloedig! Hoe vrijgevig zijt Gij, hoe trouw in uw beloften! Wat zal ik voor U, mijn God, doen? Hoe kan ik mij erkentelijk tonen? Voorlopig kan ik niets anders doen dan mijzelf en mijn diensten geheel aan U toe te wijden. Ik ben bereid, mijzelf volkomen als offer weg te schenken!”.

Jozef had een groot verlangen, veel voor de eer van God te doen. Hij ondervond hartenleed, want het scheen hem, dat hij dit verlangen nooit kan vervullen. Op een nacht echter sprak de engel tot hem over een tijd, waar hij zich voor God alleen zeer zal inspannen. Deze boodschap vervulde Jozef met de grootste tevredenheid en hij verlangde naar deze gelukzalige tijd van zijn leven. Daadwerkelijk spande hij zich later in met zijn handenarbeid, om het leven van de mensgeworden Zoon van God te onderhouden.

Ofschoon Jozef tot nu toe niet wist, op welke wijze hij voor God zal werken, verheugde hij zich toch al zeer daarop. Hij leefde in een bewonderenswaardige eenvoud. Nooit vorste hij naar de naderende inhoud van de goddelijke beloften, die hem door de engel werden gegeven. Hij wachtte met kinderlijke overgave en legde zich er meer op toe, om God voor het Beloofde te smeken; want hij wist dat God aanbeden wil worden. Jozef bereidde door zijn levenshouding de Allerhoogste steeds vreugde; hij streefde ernaar, in alles de goddelijke wil te vervullen. Hij erkende immers met de hoogste dankbaarheid de gunstbewijzen van zijn God, waardoor hij zich aan Hem zonder voorbehoud overgaf.

JOZEFS GROTE MOED IN VERSCHILLENDE BEPROEVINGEN:

Toen Jozef zich op bijzondere wijze van de genade en vriendschap met God verheugde en de vreugde van zijn liefde proefde, liet God het toe, dat hij door de mensen, opgehitst door de duivel, werd gekweld. De heilige moest de gelegenheid hebben, zich grotere verdiensten te verwerven en zijn trouw en liefde tot God ook in vervolging en kwelling bewijzen.

De duivel haatte Jozef zeer, want hij kon zijn heilig, deugdzaam leven niet verdragen. Daarom zocht hij steeds weer, hem te verontrusten en zijn geduld ten val te brengen. Tot dit doel hitste hij enige buren van Jozef op. Deze nu koesterden zo een afkeer tegen hem, dat zij hem niet meer konden zien. Ging Jozef naar de tempel of moest hij voor zijn werk een andere weg gaan, dan maakten deze mensen hem belachelijk. Daar hij er echter geen acht op sloeg, werden zij woedend en bespotten hem zonder enige oorzaak. Zij noemden hem een domkop, een leegloper, die niemand hebben wil. Onder de dekmantel van de deugd is hij een schijnheilige, een huichelaar. De heilige antwoordde op iets dergelijks nooit. Met gebogen hoofd ging hij naar de tempel, om te bidden en God om vergeving te smeken voor zijn tegenstanders.

Het gebeurde, dat een van deze booswichten werd bestolen. Meteen schreven zij deze daad aan Jozef toe. Vol woede gingen ze naar zijn werkplaats en brachten daar alles in wanorde. Ze zeiden, dat hij het gestolene moet teruggeven. Zij bedreigden hem met tuchtigingen en hem als dief aan te klagen. Jozef echter rechtvaardigde zich niet; doch zei hij hen, dat zij zich vergissen. Deze kwaadwilligen stopten niet, hem te beschimpen en te beschuldigen. Tenslotte zei Jozef dat God zijn zaak zal verdedigen. Daar deze vervolgers het onverstoorbare geduld van Jozef zagen, trokken zij zich terug met de bedreiging, hem bij het gerecht aan te klagen, wanneer de dief niet werd opgespoord; dan hielden zij hem met zekerheid daarvoor. Jozef was zeer bedroefd, toen hij zich zo beschuldigd zag. Des temeer deed het hem pijn, dat door dit onrecht God werd beledigd. Hij begaf zich naar de tempel en smeekte God, dat Hij hem uit deze moeilijkheden wil bevrijden. Al spoedig werd de dief opgespoord, iedere aanklager voelde zich beschaamd. Zij bewonderden nu het geduld van Jozef en hun afkeer veranderde in hoogachting van zijn persoon.

De helse vijand liet zich desondanks niet wegjagen. Hij hitste nu enige uitgelaten jongens op. Deze zagen hem vaak naar de tempel gaan. De vroomheid van Jozef en zijn bescheidenheid dienden hen tot verwijt. Op een dag spraken zij af naar de werkplaats te gaan en Jozef te berispen. Daadwerkelijk deden zij het met grote brutaliteit. Zij troffen Jozef bij het werk aan, terwijl hij zijn gedachten op God had gericht. De jongens vroegen hem iets raars. Jozef gaf hen geen antwoord. Toen zij hem nog enige schaamteloze vragen stelden, zei hij, dat zij hem in vrede moeten laten en ergens anders naar toe gaan, als zij een dergelijk onderhoud willen, omdat hij met zijn handwerk bezig is. Toen beschuldigden zij hem nog meer. Jozef ging er niet op in, hij richtte zijn aandacht op God en het werk. Nu drong zich een bijzonder brutaal ventje op, om Jozef te slaan. De heilige zei hem slechts: “God vergeef je, mijn broeder! Ik verdien dit weliswaar vanwege mijn fouten, maar ik heb je geen aanleiding gegeven, dat jij mij dit aandoet”. Terwijl deze Jozef sloeg, gaven zij hem bijval met applaus. Nadat zij hem genoeg hadden mishandeld, gingen zij weg. Jozef was niet boos, maar hulpzoekend wendde hij zich tot God met de woorden: “Mijn God, U heeft mij beloofd mij bij te staan en mij in alle omstandigheden te verdedigen. U weet dat ik niemand anders heb dan U, daarom neem ik tot U mijn toevlucht, opdat U mij helpt en mij tegen mijn vijanden verdedigt!

Al in de volgende nacht zond God zijn engel tot Jozef met de troostbrengende boodschap, dat hij door dit voorval zich grote verdiensten heeft verworven en door zijn gedrag God een welgevallen heeft bereid! De engel maakte hem erop bedacht, dat de duivel hem zeer haat en wil kwellen. God zal hem echter bijstaan, hij moet dit laten gebeuren, om hem de gelegenheid tot verdiensten te geven en zijn trouw te bewijzen. Op grond daarvan werd Jozef gerustgesteld en vatte nieuwe moed, het komende standvastig te overwinnen.

Daar de vijand van al het goede ook bij deze gelegenheid werd neergeslagen en de deugden van Jozef steeds meer uitblonken, woedde hij des te heftiger en hitste spoedig dan de een, dan de ander tegen Jozef op. Ja, hij stelde zich zelfs achter hooggeachte persoonlijkheden op, om hem in een slecht daglicht te brengen. Zo maakte Jozef op een keer een werkstuk voor een heer met aanzien. Toen hij dit bezorgde, beschimpte men hem, dat het noch mooi noch vakkundig is. Diegene nam het voorwerp wel aan, maar liet Jozef weggaan onder beschimpingen en zonder betaling. Jozef verdroeg deze smaad met groot geduld; hij ging rechtstreeks naar de tempel en smeekte God om zijn bijstand. De Allerhoogste verhoorde het roepen van zijn trouwe dienaar, terwijl Hij deze heer ingaf, Jozef het verdiende loon voor zijn moeite te geven. Daadwerkelijk kreeg de betreffende spijt, betaalde zijn schuld en vroeg Jozef om vergeving voor deze smadelijke behandeling. De heilige nam het loon als een aalmoes dankend aan, terwijl hij in zijn hart God op de eerste plaats voor zijn steun dankte. Bij deze gelegenheid verwierf Jozef zich wederom voor God een hoge verdienste en werd gelijktijdig in zijn nood voorzien. Iedere hoge heer werd in de omvang met Jozef zeer gesticht. De duivel echter, steeds meer te schande gezet, bezorgde Jozef vele van zulke streken. Zij dienden echter slechts daartoe, om de heilige aan verdiensten te verrijken en zijn aanzien bij de mensen te bevorderen.

Op een geheel andere wijze probeerde nu de vijand Jozef te belagen. Hij beïnvloedde namelijk enigen hem onder voorwendsel van liefde en medelijden te trouwen, zodat hij meer gemak zou hebben en niet zo eenzaam zijn. Deze probeerden hem te overtuigen, dat hij gemakkelijk een meisje kan vinden, want hij is toch een vlijtig, eerzuchtig mens! Omdat Jozef echter de Allerhoogste een maagdelijk leven had beloofd, mishaagde dit voorstel hem zeer. Hij gaf eenvoudig het antwoord, dat hij in zijn stand buitengewoon tevreden is.

Deze mensen hadden reeds een meisje voor hem uitgezocht. Maar Jozef toonde steeds meer zijn weerwil, zodat zij niet meer wisten, hoe zij hem konden beïnvloeden. Zij kwamen op een dag daarin overeen, hem onder het voorwendsel van een werkopdracht in het bestemde huis uit te voeren. Toen Jozef de maat voor het werk had genomen en wilde weggaan, hielden zij hem tegen en voerden hem naar dat meisje met de woorden: “Weet Jozef, dit meisje moet je trouwen. Je mag niet tegenspreken, want dit meisje is met deugd en goedheid uitgerust”. Voor Jozef, die zijn gelofte aan God in het hart droeg, was deze gebeurtenis zeer pijnlijk, waarop hij zich snel uit het huis verwijderde. Deze huwelijksbemiddelaren waren verbouwereerd en vielen hem niet meer lastig. Spoedig daarop deelde de engel mee, dat hij door zijn standvastigheid God een groot welgevallen heeft bereid.

Nadat de duivel door middel van de mensen de heilige voldoende had bekoord, liet God het toe, dat hij op een andere wijze werd lastiggevallen; want Jozef moest steeds rijker worden aan verdiensten. Nu stond de vijand opnieuw op het punt, om de onoverwinnelijke deugdkracht van Jozef te doen schudden. Eerst probeerde hij dit met de eerzucht. Hij stelde Jozef zijn vroomheid, zijn goedheid, zijn trouw tot God voor ogen, alle goede werken, alle moeite die hij al op zich had genomen en hoe hij voor dat alles grote beloning van God verdient. Hij fluisterde hem in, dat er geen mens bestaat, die aan hem gelijk is in zijn voorbeeldige levenswandel. Voor deze influisteringen schrok Jozef terug. In zijn ware deemoed wendde hij zich tot God in gebed, want hij erkende wel, dat dit een duivelse list was. Door akten van diepste toewijding en nederig dienstbetoon overwon hij deze aansporingen tot hoogmoed en zelfvoldaanheid. Dan moest Jozef tot genotzucht worden verleid. Hij kreeg een verlangen naar de meest uitgelezen spijzen. Maar ook deze aantrekkingskracht trad hij tegemoet door vasten en allerlei afzien. Ook een haat tegen zijn beledigers wilde de verleider hem in zijn hart leggen; doch Jozef wenste hen al het goede van God. Satan greep Jozef nu in zijn geloof aan. Hij gaf hem in, dat de bekendmaking van de engel slechts misleiding en diens mededelingen zinloos zijn. Desondanks volhardde Jozef onverstoorbaar in het geloof aan de boodschap van zijn engel. Dan weer stelde de verleider hem voor ogen, hoeveel goederen hij heeft verlaten en dat hij alles weer kan verwerven. Hiermee wilde hij het verlangen naar de verloren rijkdom in hem opwekken. Jozef echter was ervan verzekerd, dat hem de genade en het welgevallen van de kant van God het kostbaarste is en hem volop tevreden maakt.

Deze veelvuldige kwellingen verdroeg en overwon onze Jozef met gebed en wilskracht. Alle aanslagen van de boze sloeg hij neer. Geheel beschaamd trok deze zich uiteindelijk terug, Jozef zwerend, dat hij altijd met hem zal vechten.

De heilige had geen vrees, want vol vertrouwen jon hij met David spreken: “De Heer is mijn licht en mijn heil: Wie zal ik vrezen? De Heer is mijn beschermer van mijn leven: Wie zal mij kunnen afschrikken? Ik vrees geen onheil; U bent immers met mij”(Psalm 26 1-3, 22-4).

Niet al te lang genoot Jozef van de rust, want God zelf wilde zijn dienaar opnieuw beproeven. Hij onthield hem de verlichtingen, de begeestering, de innerlijke vreugde, Jozef bevond zich nu in de diepste verlatenheid. Op welk groot leed verdroeg hij in de bevreesdheid, zijn God mishaagd te hebben. Hij zag zich nu van zijn Allerliefste als het ware verstoten. Welke angst stond hij daarbij uit! Hoe innig vertrouwde hij zich aan God toe, hoeveel gebeden zond hij naar de hemel, hoeveel tranen weende hij! Gehele nachten bracht hij in gebed door, God moge het hem laten weten, wanneer hij Hem heeft beledigd, opdat hij zijn fouten kan goedmaken. Maar de hemel was als het ware geslotene voor zijn smeken, ook de engel kwam niet meer, Jozef had niemand, waar hij zijn hartenleed kon uitstorten. Daarom wendde hij zich steeds weer tot God met de woorden: “O God van Abraham, Isaak en Jakob! Mijn God! Van U heb ik zoveel goeds ontvangen, U bent mijn gehele schat, mijn troost, mijn kracht! Heb medelijden met uw onwaardige, armzalige dienaar! U heeft mij uw hulp, uw gunst toegezegd, nu is het de tijd, dat U mij in mijn diepe smart troost. Waaraan heb ik schuld, dat U mij heeft verlaten? Laat het mij toch kennen! Ach, het is waar, dat ik U dikwijls heb beledigd; maar U bent zo goed en barmhartig! Daarom smeek ik U, wilt U mij vergeven. Het is waar, dat ik uw genade niet heb verdiend, maar daar U zo goed bent, hoop ik op vergeving”.

Dit gebed van Jozef beviel de Allerhoogste. Toch moest Jozef nog wachten tot God hem verhoorde en Zich weer aan hem openbaarde. Hij verdroeg deze zware beproeving met grote overgave.

Op een dag was Jozef zo terneergeslagen, dat het leek alsof hij niet meer kan leven. Met sterk geloof en vertrouwen ging hij naar de tempel en wendde zich wederom in vurig smeken tot God, dat Hij zich verwaardigt, hem te troosten. Hij bad nu tot God met het oog op de verdiensten van de heilige maagd Maria, die hier in de tempel verwijlt en Hem zoveel vreugde bereidt, moge Hij hem genadig zijn. Op dezelfde tijd bad Maria voor Jozef, want God liet haar zijn lijden kennen. Op het smeken van Maria en Jozef verwaardigde God zich te openbaren aan zijn trouwe dienaar met grote helderheid. Hij vervulde zijn geest met licht en zijn hart met goddelijke liefde. God liet hem daarbij de woorden vernemen: “Jozef, mijn trouwe dienaar en vriend! Vrees niet, want ik ben met u, ik heb u nooit verlaten. Ik verzeker u mijn liefde en genade”.

Jozef was buiten zichzelf van vreugde; hij genoot een tijdlang de verrukking van de tegenwoordigheid van God, Die zich met zeer grote begunstigingen aan zijn ziel meedeelde. Daarbij werden hem vele geheimen van de goddelijke wijsheid geopenbaard, waaronder ook deze: “God laat het toe, dat zijn vrienden worden gekweld, waardoor Hij hun dan des temeer kan schenken”.

Jozef erkende ook, hoe Maria bij God in de gunst stond en hoe zij Hem de genade had afgesmeekt, dat God zich aan zijn ziel openbaarde en aan deze kwelling een einde maakte. De heilige Jozef zei God veel dank en wijdde zich opnieuw aan Hem toe. Hij bad ook voor Maria, dat God haar liefde moge belonen; want des te inniger voelde hij zich nu tot haar aangetrokken Jozef bewonderde steeds meer de goedheid en liefde van zijn Schepper, hij verdeemoedigde zich voor zijn aanwezigheid en smeekte Hem voor zijn voortdurende bescherming. Na deze gebeden ging hij heel vredig van de tempel weg. Steeds weer kwamen uit zijn mond de woorden van David: “Hoe goed is mijn God jegens Israël en jegens allen die oprecht van hart zijn!” En, “Wanneer ook het lijden mijn hart omploegt, dan wordt mijn ziel weer blij door uw troost”. De heilige bad ook vele andere psalmverzen, passende bij de levenssituatie, waarin hij zich bevond.

’s Nachts kwam ook weer de engel en zei hem, dat hij God veel vreugde heeft bereid door zijn standvastigheid en geduld in deze zware beproeving. De engel bemoedigde hem, zich in deze deugden steeds meer te oefenen, want God zou hem in het verdere verloop van zijn leven veel en zeer zwaar lijden over hem laten komen; hij zal steeds bereid en zonder vrees zijn. Maar ook zeer grote vreugden, die boven zijn bevattingsvermogen uitgaan, zal God hem schenken. Jozef voelde zich door deze woorden van de engel zo gesterkt, dat hij zich aanbood, alles te verdragen, als God hem maar niet verlaat.

De heilige maakte zich bij God zeer geliefd in het verdragen van veel lijden, door de geringschatting van alle vergankelijke waarden, door beoefening van de nederigheid, ja zelfs door vreugde aan de verachting die hij vanwege zijn liefde tot God van de mensen moest ervaren. Jozef is een licht geworden boven andere heiligen; want deze hadden Christus als voorbeeld, waartegenover hij in zijn jeugdjaren de Zoon van God in menselijke gestalte noch niet gezien, noch zijn leer had gehoord. Toch was Jozef zo verheven in de deugden en volmaakt in zijn handelingen.

JOZEF WENST HET HEIL VAN ALLE MENSEN

De liefde en trouw van Jozef tot zijn Schepper was zo groot, dat hij daarvoor met genaden en verdiensten werd verrijkt. Ja, God openbaarde zich aan hem vaak zo helder, dat hij vele geheimen van het goddelijk Wezen verstond. Zo begreep hij, dat God vanwege zijn allerhoogste waardigheid boven alles bemind moet worden en daarom werd ook zijn liefde steeds vuriger, gedragen door het verlangen, dat al het geschapene met geheel het hart God mocht liefhebben. God gaf hem te kennen, hoe de meeste mensen in de liefde tot de geschapen en vergankelijke dingen geheel opgaan. Jozef ondervond hierover grote pijn. Hij had voor al dit tekort plaatsvervangend willen werken. Zijn ontoereikendheid erkennend, zei hij tot God: “O, mijn God, waarom heb ik slechts maar een enkel hart, om U lief te hebben? Had ik maar de harten van alle mensen, om ze aan U, U oneindige Goedheid, in liefde toe te wijden! U bent onze Vader, die ons met zo’n grote liefde geschapen heeft, U bewaart ons leven, opdat het alleen aan uwe Goedheid is toegewijd. Waar echter is de liefde, die wij als uw kinderen U moeten geven? O hoe kunnen uw schepselen U vergeten, zij zijn immers het werk van uw handen en zij hebben immers de gelijkenis met U? Ach, ik kan het niet begrijpen, hoe de schepselen U, de beste Vader, vergeten en zonder U verder kunnen leven!” Bij deze woorden werd als het ware zijn ziel verteerd in het verlangen, dat alle mensen God mochten liefhebben en dienen. De wensen van zijn trouwe dienaar behaagde God en Hij liet dit blijken, door Zichzelf in zulke uren aan Jozefs ziel mee te delen. Hij vervulde hem met goddelijke vreugde en liet hem ook vaak zijn stem in het binnenste vn zijn hart vernemen.

Menig keer overviel de heilige de vrees, God te beledigen. Deze kwam voort uit zijn Godsbesef en liefde. Vaak bad hij daarom tot de Allerhoogste, dat hij Hem eerder laat sterven, dan dat hij, Zijne onuitsprekelijke Goedheid, slechts het geringste mishagen bereidt. Toen hem op een dag deze gedachte bijzonder pijnigde, ging hij naar de tempel, om zich aan God toe te vertrouwen. Hij bad lange tijd en smeekte onder tranen, dat God het nooit mag toelaten, dat hij ooit zijn vriendschap verliest. Jozef kreeg de verzekering, dat hem nooit de genade wordt onttrokken en hij zich tot aan zijn dood in onschuld zal bewaren. Deze gunstbetuiging bracht hem een onvoorstelbare vreugde. Alle dagen van zijn verdere leven dankte hij voor deze belofte. Maar desondanks was Jozef in al zijn doen en laten steeds op zijn hoede, dat hij God niet beledigt. Eens zei de engel tot hem, dat God zeer vertoornd is vanwege de vele en grote beledigingen van de kant van de mensen: hij moet vaak om vergeving smeken voor de zondaars, zodat zij niet zo streng bestraft worden, zoals zij het verdienden. De engel deelde hem mee, dat ook Maria deze dienst verricht en God op haar voorspraak de tuchtigingen terughoudt. Jozef weende vaak bitter vanwege de zonden van de mensen; hij bad veelal een hele dag en een goed deel van de nacht om hun bekering. Hij sprak tot God: “O Heer, ik ben armzalig en verdien het niet, verhoord te worden. Maar ik verenig mijn smeken met die van de maagd Maria, want ik weet, dat haar gebeden U welgevallig zijn. Zo wordt U tot erbarmen bewogen met degenen, die in het verderf lopen. U zult hun licht tot erkenning van hun vergissingen geven en de genade, zich tot U te bekeren”. Deze voorspraak was God zeer welkom. Toen Jozef eens lange tijd om de bekering van een hem bekende zondaar bad, kreeg hij van God de verzekering: “Het is u toegestaan, waarom u vraagt”. En daadwerkelijk kwam diegene tot inkeer. In zijn liefde en dankbaarheid maakte Jozef dit aanbod: “Mijn God! Zie mij bereid, straffen en kwellingen op mij te nemen, wanneer ik daardoor kan verhinderen, dat U wordt beledigd”. En wanneer hij hoorde zeggen, dat een verstokte zondaar op sterven lag, was hij zeer bedroefd, weende bitter en bad bijna onafgebroken, dat God diegene de gezondheid en genade tot bekering of een diep smartelijk berouw over zijn zonden geeft. Hij smeekte: “Mijn God, laat het nooit gebeuren, dat een ziel, die U naar uw evenbeeld heeft geschapen, te gronde gaat!” Bovendien deed Jozef meermaals boete en vastte dagenlang op brood en water.

In Jeruzalem waren vele stammen en naties vertegenwoordigd, die de ware God niet erkenden, wel echter de afgoden vereerden. Dit pijnigde Jozef ten diepste in zijn ziel. Met betraande ogen bad hij om de beloofde Messias, die de mensen de ene ware God laat erkennen en de weg naar het heil zal leren.

Jozef was in zijn geest zich steeds bewust van Gods aanwezigheid. Ook gedurende het werk sprak hij met Hem. Al het smekend roepen om de beloofde Messias, dat de aartsvaders en profeten ten hemel zonden, had hij in zijn geheugen geprent en herhaalde deze met verlangen, vooral wanneer hij op weg was naar de tempel. Hoe vaak zei hij: “O zalig de ogen, die de Messias zullen zien, zalig de oren, die zijn goddelijke leer zullen horen! Noch zaliger het hart, dat Hem zal liefhebben en Hem zich zal schenken.

DE GODDELIJKE- EN NAASTENLIEFDE VAN DE HEILIGE JOZEF

De liefde tot de Allerhoogste was in Jozef reeds zo groot, dat hij als het ware werd opgeheven, wanneer hij slechts zijn Naam hoorde uitspreken. Het deed zijn verlangen gestadig toenemen groot werk voor God te doen. Daarom verlangde hij al enige tijd vurig, dat hij volgens de belofte van de engel, zich geheel aan de dienst van God kan toewijden en vaak kwam het over zijn lippen: “God van Abraham, Isaak, Jacob, mijn God! Wanneer komt die gelukkige tijd, dat ik mij alleen voor U mag inzetten? Wanneer zal zich deze belofte vervullen? Ach, hoe verlang ik daarnaar, U alleen te mogen dienen! Hoor toch naar mijn smeken en vervul mijn wensen!

Toen Jozef op een dag weer in de tempel stond en op die manier tot God riep, toen vernam hij duidelijk de stem van zijn Geliefde: “Jozef, mijn dienaar en vriend. Houd goede moed, want spoedig zal uw verlangen worden vervuld”. Op deze woorden kwam Jozef buiten zichzelf van vreugde. Geheel in God verzonken, ontving hij de openbaring, dat hij spoedig een gezellin krijgt, met wie hij over de goddelijke geheimen kan spreken. Tegelijkertijd liet God hem de schoonheid van haar ziel kennen. Nog geheel bevangen van dit verheven gunstbetoon, aanbad Jozef zijn God en dankte Hem ten innigste met de woorden: “O God, U onmetelijke, U onbegrijpelijke! Wie ben ik, dat U mij zo begunstigt? Hoe kunt U, heerlijkste, U mij zo minzaam zijn, het nederigste schepsel en mij zo’n groot eerbewijs van uw goedheid deel doen vallen? Wanneer het al zo bewonderenswaardig is, dat U zich aan de profeten en onze vaderen heeft geopenbaard, zo kan ik het helemaal niet begrijpen, dat U met mij, uw nederigste dienaar, wil verkeren. Ach, hoe slecht beantwoord ik aan uw liefde, uw goedheid en minzaamheid, mijn God, zie mij als geheel de Uwe! Beschik over mij naar uw welgevallen! Ik heb U niets anders te schenken dan mijn wezen en ieder ogenblik van mijn leven. Zie, ik bied me weer opnieuw aan! En als ik over de harten van alle schepselen kon beschikken, dan zou ik ze U schenken en aan uw liefde toewijden, U onmetelijke, oneindige, onbegrijpelijke God! Neem aan het klein offer van uw geringe dienaar, die zich geheel aan U in liefde schenkt!” Op deze wijze dankte Jozef voor het goddelijk eerbewijs, hij loofde en prees de grootte en de barmhartigheid van zijn God.

Nadat Jozef in de tempel zo’n grote belevenis onderging, keerde hij dronken van verrukking in zijn werkplaats terug, waar hij nogmaals God dankzegde. Hij stond op het punt te gaan werken, maar zijn ziel echter verbleef nog geheel in de goddelijke tegenwoordigheid, zodat hij op deze dag ook geen voedsel nodig had. In de volgende nacht gelukwenste de engel hem met de spoedige vervulling van de grote belofte en riep hem op tot herhaaldelijke dankzeggingen. Jozef stond op, om met de psalmen van David en het lofgezang van de jongelingen van Babylon, alle schepselen uit te nodigen, God te loven. Het gezang van deze jongelingen in de vuuroven verrichtte Jozef dagelijks, waarbij zijn geest bijzonder werd verheugd, en hij dankte God dat Hij, zijn schepsel, op een zo’n heerlijke wijze, Hem te loven, heeft geleerd.

In stille overgave wachtte Jozef op de vervulling van de belofte, die God hem had gemaakt. Doch nooit trachtte hij na te vorsen, waarin zijn bijzondere dienst voor God bestond of welke gezellin Hij naar hem toe zal leiden. Hij had immers de zekerheid, dat God alles met de grootste voorzienigheid en oneindige lierde doet. Vaak zei Jozef bij zichzelf: “Welk een geluk zal het voor mij zijn, omgang te mogen hebben met een schepsel, dat God mij geven zal om over zijn heerlijkheid en goedheid, liefde en al zijn volmaaktheden te kunnen spreken. En deze deugdzame gezellin zal mijn minderwaardigheid, mijn armoede, mijn onwaardigheid niet afwijzen. Hoe goed bent U, mijn God. hoe getrouw vervult U de wens van diegene, die op U vertrouwt en zich aan U overlaat!” Jozef loofde God en nam alles als een groot geschenk van Hem dankbaar aan.

Zoals in Jozef de godsliefde toenam, zo werd in hem ook de liefde tot de naasten opgevoerd. Wat deed het hem pijn, wanneer hij ergens een noodlijdende wist, die hij niet kon helpen. Hij beveelde dan deze arme aan God aan, dat Hij hem van het nodige voorziet. Vaak ontbeerde hij zelf het noodzakelijke, om te helpen. En waanneer hij het loon voor een werk kreeg, schonk hij dat grotendeels aan de armen weg. Met leeddragende mensen had Jozef innig medelijden. Hij bad God nadrukkelijk hen te troosten; ja, hij volhardde zolang in het gebed, tot hij bemerkte, dat God hen tot hulp was gekomen. Het liefst had hij alle gekwelden in hun geestelijke en materiële nood geholpen. Daar het hem niet mogelijk was, hield hij het volgende gebed voor: “Mijn God, U kent mijn armoede en ontoereikendheid. Ik kan mijn naasten niet zoveel goeds doen, zoals ik zou willen. Kom U alle noodlijdende te hulp, U bent geheel liefde en uw barmhartigheid is zonder grenzen. Troost de bedroefden; U vermag toch alles! Ik verheug me, dat ik arm en ontoereikend ben, want U bent de rijkste en kan alles verzorgen”. God behaagde deze gesprekken van zijn dienaar en Hij vervulde deze smeekgebeden. Jozef dankte God echter ook in naam van allen, die zijn steun hadden ervaren. Op deze wijze werkte hij ook voor de zieke. Steeds weer smeekte hij God om hun gezondheid voor ziel en lichaam. Hij bezocht en troostte hen; hij sprak hen moed in, het door God beschikte lijden geduldig te verdragen. Deze dienst verleende Jozef slechts aan de armen. Daar hijzelf tot de nederige volksklasse behoorde, waagde hij het niet naar de rijke personen van aanzien te gaan. Wel echter beveelde hij ook deze God aan; want zijn volkomen liefde strekte zich over alle mensen uit.

In deze levenswijze bracht Jozef meerdere jaren door en groeide daarbij wondervol in de Gods- en naastenliefde. Hij beoefende ijverig alle deugden, zodat hij zich niet alleen in de ogen van de mensen, maar zelfs de engelen wonderbaar bewees. Groot was zijn liefde, zijn reinheid, zijn deemoed en onthechting van al het vergankelijke. De geringschatting van zichzelf was dermate, dat hij zich als de nederigste van alle schepselen beschouwde. Hij keek naar hen allen met grote liefde en alle noodlijdenden gaf hij zijn medelijden. Hij bad voor allen en wenste hen ieder al het ware en goede van God.

Telkens als er in de tempel feestelijkheden plaatsvonden, zag Jozef geheel vreugdvol en met diepe aandacht de godsdienstige handelingen bijwonen. Hij vermaakte zich niet met de feestelijke pracht en praal, zoals de overige mensenmassa, zijn geest verwijlde in God, hij verheugde zich in de hemelse schoonheid. Bij zulke gelegenheden verlichte God hem meer dan anders. Hij liet hem de hoogste geheimen begrijpen; zijn ziel genoot de goddelijke gunstbewijzen als rijkelijk loon voor het afzien van aardse vreugden. Zo werd hij God steeds aangenamer en bekwamer tot opname van de openbaring van zijn heerlijkheid.

DE EERSTE ONTMOETING VAN JOZEF MET MARIA

september 22, 2022

Opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB

Jozef had het dertigste levensjaar volbracht. Hij was rijk aan verdiensten bij God, hij had de glans van zijn onschuld bewaard en was geoefend in alle deugden. De tijd naderde, dat het God behaagde, hem de reinste maagd Maria tot bruid en gezellin te geven. Maria was in die tijd veertien jaar oud. Ofschoon het leven tot dan toe van de heilige een ononderbroken voorbereiding tot het ontvangen van een zo verheven gunstbewijs was, wilde God evenwel, dat Jozef in deze laatste dagen voor de verloving zich bijzonder daarop instelt. God liet hem ’s nachts in de slaap door de engel zeggen, dat hij zich mag voorbereiden op de ontvangst van een grote genadegave, zodat hij zijn hartenwens en gebed Hem nog inniger aanbiedt. Nadat Jozef wakker was, voelde hij een vurig verlangen naar dit hemelse geschenk. Vol van liefde tot God riep hij uit: “Hoe goed bent U, o God van Israël! Hoe getrouw bent U in uw beloften. Hoe verlang ik naar de beloofde genade, maar des temeer naar de gloeiende liefde tot U en naar een grote verheerlijking van uw Wezen in al mijn doen”. Op deze wijze door de liefde bewogen, begaf hij zich naar de tempel. Daar aanbad hij God, loofde zijn oneindige goedheid en smeekte om de grote genade, die hem ten deel moest vallen. Ofschoon hij niets naders wist, beschouwde hij deze belofte als een verheven geschenk, want zo had het de engel hem voorspeld. Hij was overtuigd, dat God grote dingen vermag te doen, beantwoordend aan zijn waardigheid. Gedurende dit gebed in de tempel ontvlamde zich in zijn hart een buitengewoon innige liefde tot de heilige maagd Maria. Gelijktijdig werd hem geopenbaard, dat Maria veel voor hem bidt en dat haar gebed God zeer welgevallig is. Jozef verheugde zich zeer en zijn liefde tot Maria steeg zozeer, dat hij in gedachte aan haar unieke wezen van hoogste zaligheid werd vervuld. Hij zei dan bij zichzelf: “Maagd Maria, u heilige en in iedere deugd volmaakte! u bidt zoveel voor mij, de geringste. Wat kan ik voor u doen? Wel, niets anders, dan u onze God ten innigste aan te bevelen, opdat Hij u altijd zijn gave schenkt en met genade vervult”. Terwijl Jozef op deze wijze een geestelijke tweespraak hield met Maria, verlangde hij zeer haar eens te zien en werkelijk met haar te spreken. Vele zalige uren bracht Jozef in de tempel door en zodra hij wegging, scheen het hem, als kon hij zich van dit geliefde heiligdom helemaal niet meer verwijderen. In deze weken verwijlde hij daar bijna ononderbroken. Ook door vasten bereidde Jozef zich voor op de ontvangst van het door God beloofde geschenk. Hij leed bereidwillig honger, dorst en ieder ongemak, ja zelfs met blijheid. In deze tijd bekommerde hij zich weinig om het werk, veel meer legde hij zich op het gebed toe, waarbij zijn verlangen naar dit geschenk van de hemel wonderbaar steeg.

Nooit was Jozef zich ervan bewust, dat Maria hem tot bruid gegeven kon worden. Zij had reeds de leeftijd tot huwbaarheid bereikt. Het bestuur van de tempelmaagden trof, met het oog hierop, de voorbereidingen; zodat alle jongemannen uit de stam van David werden verwittigd zich naar de tempel te begeven. Degene, die naar de wil van God tot man van Maria bestemd is, zal haar tot bruid krijgen. Jozef was daarover zeer verwonderd, want hij wist allang door zijn engel, dat Maria haar maagdelijkheid aan God had beloofd en ook hij had datzelfde beloofd. In deze beschikking evenwel, de goddelijke wil voor ogen houdend, riep hij uit: “O zalig diegene, die zo’n geluk ten deel valt!” Na verscheidene overwegingen dacht hij, dat hem zo een schoon lot niet zal toekomen. Maar hij beveelde zich ook in deze aangelegenheid God aan en smeekte Hem om zijn welwillendheid.

HET HUWELIJK VAN JOZEF MET DE HEILIGSTE MAAGD

Voor Jozef was een grote dag aangebroken. In de vroege morgen knielde hij in zijn kleine vertrek en smeekte God: “O God van Abraham, Isaak en Jacob, mijn God, mijn hoogste Goed! Ik weet dat U in mijn leven steeds aan mijn zijde bent geweest. U heeft mij steeds verdedigd en mij in alle kwellingen getroost. Nooit heb ik uw voorzieningen gewantrouwd, doch ik heb steeds ervaren, dat U de Getrouwste en Barmhartigste zijt. Daarom smeek ik om uw welwillendheid en uw bijstand ook in deze aangelegenheid. Ach, ik ben het helemaal niet waard, aan zo’n grote gebeurtenis deel te nemen, noch veel minder de verheven gunst, dat U mij deze heilige maagd tot gezellin zou geven. U liet mij echter uit de stam van David geboren worden, uit diens nakomelingschap, overeenkomstig uw belofte waaruit de zo zeer verlangde Messias zal komen. Ik smeek U om die reden, voer deze deugdzame, beminnelijke maagd naar een bruidegom toe, die haar waard en naar uw Hart is. Mij echter wilt U uw genade steeds rijkelijk schenken. Ik geef mij geheel in uw goede handen. Beschik over mij naar uw welgevallen. Ik wens enkel en alleen, dat uw heiligste wil aan mij wordt vervuld.

Na dit gebed werd Jozef met een heilige liefde tot God vervuld en gelijktijdig ondervond hij zo’n innige liefde tot Maria, dat hij het uur van de ontmoeting met haar nauwelijks kon afwachten. Zou hij dan toch eindelijk degene zien en leren kennen, die hem al zoveel genade van God had bemiddeld en die ook hij jarenlang in zijn gebed had ingesloten. Hij zei bij zichzelf: “Ik kan het geluk niet bevatten, een zo door God geliefd mensenkind te leren kennen. Acht, zalig degene, die het heerlijke lot, haar bruidegom te worden, beschoren zal zijn! In mijn armoede en nederigheid durf ik aan zo’n uitverkiezing geheel niet te denken. Ik zal me al gelukkig prijzen, haar dienaar te zijn”. Intussen ging Jozef naar de tempel en bad. Zijn smeken werd steeds inniger.

Ondertussen hadden ook de overige mannen uit de stam van David zich verzamelt. De diensthebbende priester verklaarde nu, dat Maria met een man uit het huis van David zal moeten huwen. Hij maakte het volgende voorstel. Om te weten, wie door God tot bruidegom van een zo’n waardige maagd bestemd is, moet ieder van hen een dorre twijg in de hand houden. Men mag God smeken, om de twijg van diegene te laten bloeien, die tot bruidegom van Maria is bestemd. Dit voorstel van de priester werd met algemene toestemming aangenomen en uitgevoerd. Intussen smeekte Maria in haar vertrek tot God om zijn bijstand en zijn genade, dat Hij haar een maagdelijke bruidegom aan haar zijde geeft, die haar God toegewijde maagdelijkheid in ere houdt. Reeds zag zij door hogere verlichting, hoe haar Jozef toegewezen zal worden. Hoogst verheugd zegde zij haar God innigste dank.

De priester sprak met alle aanwezigen een gebed uit, betreffende de goede afloop van deze zaak. Jozef stond daarbij op de laatste plaats, daar hij zich onwaardig achtte. Toen, opeens zag hij zijn twijg met witte bloesems worden bedekt. De omstanders zagen meteen dit wonderteken en waren verbijsterd van verbazing. Over deze getuigenis van de zijde van God waren allen hoogst verbijsterd en men had eenstemmig de zekerheid, dat Jozef door God tot bruidegom van de lieftallige maagd Maria was uitverkoren.

Welke gevoelens hebben nu het hart van de deemoedige Jozef doorstroomd! Terwijl hij nog zijn onwaardigheid voelde, overkwam hem zo’n jubel, dat hij buiten zichzelf geraakte. Steeds weer riep hij uit: “Mijn God! Vanwaar is mij zo’n grote genade toegevallen, wanneer heb ik ooit zo’n geschenk verdiend? O met recht heeft mij de engel gezegd, dat U mij iets heel groots heeft toebedacht. De reinste, de schoonste maagd Maria heeft U mij tot gezellin gegeven. Zij is mijne bruid, mijn duive. Met behulp van uw genade zal ik haar beschermer zijn!

Intussen werd Maria dichterbij gehaald, opdat zij door de priester met Jozef wordt gehuwd. Alle anderen bleven hier om dit te zien. Nu trad zij naar voren. Bij de aanblik van haar verschijning was ieder verbaasd vanwege haar zeldzame schoonheid, gratie en unieke bescheidenheid. Allen benijdden Jozef om zijn uitverkiezing. Jozef was geheel verrukt, toen hij Maria zag en hij weende van vreugde. Hij zag het gelaat van zijn reinste bruid door wonderbare glans omgeven. In zijn hart vernam hij nu de stem van God. “Jozef, mijn getrouwe, zie hier het beloofde geschenk. Ik geef u het kostbaarste schepsel, dat ik op aarde heb tot bruid, opdat u haar beschermer zijt. Zij zal uw trouwste gezellin zijn. Jullie zullen beiden de maagdelijkheid bewaren. Het is juist deze deugd, die ik u in heilige liefde tot Mij verenigt. Ik ben het Middelpunt van uw liefde, Ik ben het Doel van al uw wensen”.

Jozefs hart jubelde in overgrote vreugde. Van inniger, toegewijder liefde aangetrokken, vereerde en bewonderde hij de schoonheid en lieflijkheid van haar gelaat. Hij voelde zich niet waardig, aan haar zijde te zijn. Wederom zei hij: “Mijn God, hoe kon u mij zo een verheven gunst bewijzen?” Intussen voltrok de priester het huwelijk, zoals het in die tijd gebruikelijk was. Tijdens deze viering zagen de heilige bruidslieden, hoe hun liefde gelijk een enkele vlam ten hemel steeg. God bevestigde met dit teken, dat hun liefde in dit heilig verbond verenigd, Hem geheel zal toebehoren. Hierop stelde de priester Maria onder de bescherming van haar bruidegom. Nu verlieten allen de tempel, slechts Maria en Jozef bleven, om te bidden. Beiden waren meerdere uren in gebed geheel in God verzonken, waarin hun hoge geheimen werden geopenbaard.

Jozef kreeg steeds meer inzicht in de schoonheden van de ziel van zijn heiige bruid, zoals ook Maria de deugden en verdiensten van haar bruidegom helder erkenden. Beiden dankten de Goddelijke goedheid, die hen zo had begunstigd en in de heiligste liefde verbonden. Na ontvangst van de goddelijke zegen verlieten zij de tempel. Jozef voerde Maria met zich mee als een schat uit Gods hand. Hij bemerkte haar wijsheid en bescheidenheid en zag de gratie van haar voortbeweging. Jozef sprak tot zijn bruid met de meest eerbiedige liefde. In weinig woorden deelde hij haar mee, dat hij eigenlijk geen woning heeft, behalve slechts een klein vertrek, dat tegelijk zijn werkplaats is. Als zij er genoegen mee neemt, wanneer hij haar nu daarheen voert, mag zij besluiten, wat zij konden ondernemen. De deemoedige maagd antwoordde hem, dat hij haar naar zijn werkplaats mag leiden, om daar met elkaar dit te bespreken en dan uit te voeren, wat God van hen wil. Zij willen God vragen, hen hieromtrent zijn wil te openbaren. De heilige was zeer tevreden over het antwoord van Maria. Hij voerde haar naar zijn kleine onderkomen. Het was al niet meer zo vroeg. Nadat zij waren binnengekomen, loofden zij samen God en dankten Hem opnieuw voor het wederzijds geluk, waarin Hij hen heeft samengebracht. Jozef weende, vanwege de zo sober uitziende woning; hij kon zijn bruid geen eigen plaats aanbieden, waarin zij zich had kunnen terugtrekken. Maria echter bemoedigde en troostte hem. Zij sterkten zich met brood, water en wat fruit. Dan spraken zij over de goedheid en heerlijkheid van God.

Jozef was geheel ingekeerd toen hij de woorden van zijn heilige bruid vernam. Hij weende daarbij, want zijn hart stroomde over van vreugde. Hij vertelde haar ook, hoe vaak hij de goedheid van God in zijn leven had ervaren en dat God hem een engel zond, die hem heeft geopenbaard dat zij haar maagdelijkheid aan God heeft toegewijd. Om haar in deze deugd na te volgen, heeft hij deze gelofte gemaakt. Maria verheugde zich hierover en zij spraken nu over de verhevenheid en de waarde van deze zeldzame deugd. Toen Jozef zo naar haar woorden luisterde, die geheel van liefde tot God waren doordrongen, verbaasde hij zich zeer over haar genade en wijsheid. De gehele nacht brachten zij in dit onderhoud door. Jozef voelde zich daarbij zo zalig en verrukt, dat hem deze nacht als een ogenblik voorkwam.

Toen de morgen was aangebroken, zei de heilige maagd tot Jozef, dat in Nazareth, hun beider geboorteplaats, zich een klein huis bevindt, dat voor hen beiden bestemd is. Zij zijn immers tevreden uit liefde tot de armoede, met elk klein onderkomen. Toen hij daarmee instemde en het de wil van God is, zich in Nazareth te vestigen, is zij geheel bereid met hem daarmee te gaan. Jozef nam het voorstel van zijn bruid graag aan. Zij besloten, om in de tempel tot God te bidden of Hij hen in deze aangelegenheid met betrekking tot hun toekomstige levenswijze zijn wil bekend maakt. Ofschoon Maria door hogere verlichting dit alles betreffende duidelijk kende, hield zij dit geheim verborgen en wachtte erop, dat God aan haar bruidegom zijn wil openbaart, want zij wilde in al zijn bevelen en bepalingen volkomen toegenegen zijn. Maria vroeg Jozef, dat hij haar mag mededelen, wat God hem heeft ingegeven. De heilige vertelde zijn bruid alles en verzekerde, dat hij ook bereid is, alles te doen, wat God hem heeft bekendgemaakt. Maria bevestigde, wat Jozef haar had meegedeeld, namelijk dat het God behaagt, dat zij naar Nazareth teruggaan. Zij loofden nu God en dankten Hem voor de goede openbaring van zijn wil. Hierna besloten zij de volgende dag af te reizen. Jozef huurde zoals gebruikelijk een lastdier en zadelde het op met zijn nodige gereedschap samen met zijn geringe bezit. Des te gemakkelijker was het voor hem zijn woonplek in Jeruzalem op te geven, daar hij alle aangenomen werk had afgehandeld en hier niets anders meer te doen had.

De volgende morgen begaven Maria en Jozef zich naar de tempel, om te bidden. Zij spraken nogmaals met de priester, die hen had getrouwd en vroeg hem om de zegen. Maria nam ook afscheid van haar leraren en van die maagden, met wie zij samen in de tempel was geweest. Nadat zij God opnieuw lof en dank hadden gebracht, verlieten zij deze heilige plaats. Ofschoon Jozef steeds het verlangen had, vanwege de tempel zijn vaste verblijf in Jerusalem te hebben, reisde hij nu desondanks zeer graag af. Het deed hem genoegen de gunst, zijn godbegenadigde bruid bij zich te hebben; hij kon zich geen groter geluk op aarde wensen. Herhaaldelijk zei hij tot God: “Mijn God! U heeft mij uw rijkste genade bewezen, daar U mij uw geliefde maagd Maria ter bescherming heeft toevertrouwd. Ik kan mij niets mooiers wensen, want mijn hart vindt in haar alles, wat er te verlangen valt; haar woorden brengen mij elke troost. Maria is een kleinood, dat ik steeds meer waardeer, want ik erken steeds meer haar waardigheid en haar unieke deugden, waarmee U haar heeft getooid”. Dan wendde hij zich tot Maria en zei: “Mijn geliefde bruid! God heeft mij een zeer grote genade geschonken, doordat Hij u tot mijn gezellin heeft bestemd. Ik heb nu geen wens meer, dan altijd de wil va God te vervullen en mij geheel aan zijn dienst toe te wijden. Hoe gelukkig zal ik zijn, u door mijn handwerk te onderhouden. Wanneer het Gods wil is en ook de uwe, zal ik mij met mijn aangeleverde handwerk bezighouden, om ons in het levensonderhoud te voorzien. Wanneer ik mij echter met een ander werk moet bezighouden, ben ik tot alles graag bereid”. Maria antwoordde hem met wijsheid en diepe deemoed; zij was immers steeds aan de wil van de Allerhoogste en die van haar bruidegom toegewijd. Jozef was ontroerd over haar wijze en toch zeer bescheiden antwoorden. Hij bewonderde steeds weer haar uniekheid, zodat hij vaak bij zichzelf zei: “Als ik niet wist, wie mijn bruid is, als ik haar niet al de dochter van Joachim en Anna kende, zou ik zeggen, zij is een bovenaards wezen. Het schijnt mij, dat een menselijk schepsel voor zulke grote begenadigingen niet bekwaam is!” En hij dankte God dat Hij in zijn goedheid Maria zozeer heeft begunstigd en voor alle andere schepselen heeft bevoorrecht

DE VOORTGANG VAN JOZEF NA ZIJN 7E JAAR OP WEG NAAR DE VOLMAAKTHEID.

september 10, 2022

Opgetekend door Maria Cäcilia Bay OSB

Jozef had het zevende levensjaar beëindigd. Hij had reeds een buitengewoon verstand. Zijn woorden waren zwaarwegend in alles wat hij deed, zo volmaakt op een manier dat zijn ouders alles met hem bespraken. De vader ging in alles geheel op de goede raad van zijn zoon in en hij wist reeds uit ervaring, dat alles wat Jozef zei precies zijn doel zal treffen. Jozef was immers zeer verlicht en besprak alles met God in gebed. Wanneer hij echter zijn mening uitte voegde hij deemoedig eraan toe: “Overleg alles goed en handel volgens uw wil, wanneer u dat als beter en God meer welgevallig erkent”. Dan bad hij tot God, zijn ouders licht te geven, opdat zij zo alles doen dat het tot zijn grotere eer strekt. Nooit vertrouwde Jozef zichzelf. Hij hield zich voor een gering schepseltje en verdeemoedigde zich zeer voor God. Wanneer zijn ouders hem om raad vroegen, voelde hij zich zelfs beschaamd. Hij overlegde alles met hen, om te gehoorzamen en om God in alles de eer te geven. God liet het nooit na hem met genade te overstelpen en hem te verlichten. Dit gebeurde iedere keer wanneer Jozef bad of door de engel, die in de droom tot hem sprak. Wel sprak de engel met het toenemen der jaren minder vaak tot hem, want buiten het licht, dat God hem in volheid meedeelde, werd hij evenwel ook door het lezen van de heilige schrift onderricht.

Op een nacht verscheen de engel Jozef in een droom hem zeggende, dat God verheugd is met zijn besluit tijdens zijn leven maagdelijk te blijven. God beloofde hem zijn bijzondere gunst en hulp. Dan toonde hem de engel een gordel van onvergelijkbare kostbaarheid en schoonheid en zei: “Deze gordel zendt God u tot teken van zijn welgevallen, dat Hij met uw besluit heeft. En tot teken van genade, die Hij u geeft, om altijd onverminderd de glans van uw reinheid te bewaren, droeg Hij, mij op, dat ik u met deze gordel omgeef”. De engel naderde Jozef en omgordde zijn lenden. Hij beval hem God voor dit geschenk te danken. Toen Jozef wakker werd, stond hij meteen op, knielde neer, en aanbad God met de innigste dank. Jozef werd daardoor nooit tot een bekoring tegen de kuisheid belast, wanneer ook de duivel hem vaak op velerlei manieren aanviel. God bewaarde in Jozef een wonderschone reinheid, zodat hij waardig werd, de beschermer van de altijd reine maagd Maria te zijn.

Een andere keer deelde de engel Jozef in de droom mee, dat God hem een zeer groot geschenk zal geven. Hij wist weliswaar niet, op welke dit zou geschieden; maar God wil dat Jozef Hem daarom smeekt, en zich door deugdbeoefening dit waardig maakt. Jozef vernam deze boodschap met grote vreugde. Hij legde zich nu echter niet op het onderzoek naar de inhoud van het geschenk toe, hij smeekte van nu af aan met al zijn geestelijke krachten tot God. Daarom bad hij in het bijzonder dat God de aankondiging van de beloofde Messias bespoedigt en dat Hij hem de door de engel beloofde gunst mag doen kennen. Vele genaden smeekte Jozef van God af, doch deze lagen hem bijzonder aan het hart. Van het grote geschenk, Maria als bruid te ontvangen, ervoer hij niet eerder, tot zij aan hem werd toevertrouwd. Maar ook toen werd Jozef nog niet meegedeeld, dat zij tot moeder van de Messias is uitverkoren. Terwijl Jozef telkens en telkens weer om het beloofde geheimvolle geschenk bad, ondervond hij vreugde en troost.

Op een keer werd Jozef in een hoogverheven geestestoestand verplaatst, waarin hij de heerlijke eigenschappen van de komende Messias erkende. In het bijzonder zag hij de liefde, deemoed en geduld in Hem oplichten. Jozef was helemaal daarvan verrukt, en legde zich met grote ijver toe op de verwering van deze mooie deugden. Het was wonderbaar, welke vorderingen hij daarbij maakte. Ook met zijn huisgenoten sprak hij hierover en zei hun dat God deze mooie eigenschappen zeer behagen.

Ter gelegenheid van het Paasfeest ging Jozef met zijn ouders naar Jerusalem. Toen deze tijd naderde, toonde hij zich blijer dan wie ook. Hij bereidde zich met bidden en vasten daarop voor, want zo leerde de engel het hem. Toen Jozef in de tempel kwam, knielde hij in gebed neer en verbleef urenlang daarin tot verbazing van allen, die hem gadesloegen, omdat hij nog zo jong was. Jozef ontving daarbij van God veel inzicht. Hij zag de schoonheid van het hemelse Jerusalem en bad God dat Hij spoedig de Verlosser zal zenden, zodat de zielen tot de eeuwige vreugde kunnen geraken. Deze gebeden waren God zeer welgevallig.

Jozefs vader droeg rijkelijk de gaven mee, die hij zijn zoon als offer, aanreikte; hij had immers deze grote liefde tot het geven van aalmoezen. Jozef schonk de gaven met zo’n edele gezindheid, dat de ontvanger nooit zo’n grote vreugde beleefde zoals hij. Hij deed dit steeds met de juiste bedoeling en schonk zichzelf daarbij aan God.

Jozef was het liefst in Jerusalem gebleven, om vaak naar de tempel te kunnen gaan. De ouders verbleven daarom langer dan gewoonlijk, om hun zoon plezier te doen. In die dagen verliet Jozef alleen de tempel, om het nodige voedsel tot zich te nemen of om te gaan slapen. De overige tijd bracht hij door in gebed tot God om het beloofde geschenk te vragen.

Jozef maakte God de belofte, na de dood van zijn ouders, om in Jerusalem zijn verblijfplaats te vestigen, zodat hij vaak naar de tempel kan gaan. God nam deze vrome belofte aan en gaf Jozef te zijner tijd de gelegenheid tot de uitvoering van zijn voornemen. Zolang de ouders van Jozef zich in Jerusalem ophielden, zag men hem nooit door de stad gaan om bijzondere dingen te zien, hij zocht ook geen begeleider. Jozef eerde de tempeldienaren en was hen zeer toegewijd, waardoor alle priesters hem liefhadden. Iedereen had achting voor hem, zowel vanwege de rijkelijke aalmoezen die hij gaf, alsook vanwege zijn goede aanleg, die men in hem bemerkte. Jozef was echter steeds daarop bedacht, zijn God lief te hebben en Hem welgevallig te zijn.

Toen hij op een dag met gehele overgave bad, vernam hij in zijn innerlijk de stem van God, die hem zei, dat zijn gebeden Hem zeer behagen en dat Hij al zijn gebeden zal verhoren. God verzekerde hem zijn grote liefde en nodigde hem uit tot een liefdevolle tegemoetkoming. Jozef was buiten zichzelf van vreugde toen hij deze woorden vernam. Hij bleef urenlang onbeweeglijk gedurende welke hij de onvergelijkelijke zoetheid en lieflijkheid van de goddelijke geest genoot. Daardoor werd hij nog meer door de liefde tot God ontvlamd. Jozef wilde echter het liefst meer van God en zijn volmaaktheden horen spreken. Hij verlangde ten innigste naar een gelijkgezinde vriend. Daar hij echter erkende, dat hij er geen kan vinden, bad hij God, hem zo’n iemand te zenden.

Toen Jozef weer naar Nazareth was teruggekeerd, sprak hij alleen over de heerlijkheid van de tempel en over het geluk van degenen, die daar verblijven. Zijn gedachten verwijlden steeds bij God, zodat hij over het hemelse Jerusalem op deze wijze sprak: “Wanneer men al zo’n grote vreugde ervaart, zodra men zich bevindt in de tempel van Jerusalem, welk een onvergelijkelijke vreugde zal het eerst zijn daar te verwijlen, waar onze God in zijn heerlijkheid woont! Oh, smeken wij God dat Hij ons spoedig de Messias zal zenden, opdat wij door Hem waardig worden, eens in de hemel te komen!” Dit zei Jozef tot zijn ouders met zulk een vurige geest, dat zij ook van groter verlangen naar de komst van de Messias werden vervuld en innige smeekgebeden naar God omhoog zonden. Hij hield dergelijke gesprekken echter ook met allen, die bij hem thuiskwamen en hij zei tot hen: “Smeekt vaak onze God, dat Hij zijn beloften spoedig moge vervullen. O hoe zalig zullen wij zijn, als ons de gunst ten deel valt, de Messias te zien! O welk een geluk zal ons beschoren zijn! Ik zal mij met alle kracht inspannen Hem te dienen en Hem te eren!

Vaak zei de moeder tot Jozef: “Wat zult u doen, mijn zoon, wanneer u dat overgrote geluk zal hebben, de Messias te zien?” Hierop antwoordde hij met opgeheven handen: “Ik zal mij Hem geheel schenken en mij aanbieden, Hem altijd te dienen. Ik zal Hem nooit verlaten”. De moeder zei wederom: “Weet u niet, dat het dienen veel inspanning kost?”. En Jozef wierp tegen: “O ja, maar ik zal me heel gelukkig prijzen, zelfs mijn leven in dienst voor Hem weg te geven”. Wie weet, wierp de moeder tegen, “of de Messias je eigenlijk wel tot zijn dienstverlening zal toelaten?” Hierop zij Jozef heel deemoedig: “Het is waar, dat ik dit niet waardig ben, maar ik zal Hem zolang smeken tot Hij van medelijden bewogen mijn dienst aanneemt. Want zoals God oneindig goed is, evenzo zal ook de Messias oneindig goed zijn. En zoals God onze gebeden en smeken aanneemt, zo zal ook de Messias mijn dienst aannemen”. Dan troostte de moeder hem met de woorden: “Welaan dan, mijn zoon! Geef uw smeken tot God niet op, opdat Hij zich verwaardige, de Messias spoedig te zenden; want ik hoop, dat Hij uw wensen zal aannemen en uw smeken verhoren. U zult door het in vervulling gaan van uw verlangen worden getroost”. Nu verhief Jozef de handen ten hemel en riep uit: “Moge het mijn God behagen, dat ik dit bereik! Wie zal dan gelukkiger en tevredener zijn dan ik!

HET KINDSCHAP VAN DE HEILIGE JOZEF

september 3, 2022

De moeder voedde haar Jozef met grote liefde en zorg op. Zij vervulde trouw haar plicht, het kind te voeden, waarbij ze zielsgelukkig was. Vaak echter moet zij ook tot haar verdriet zien, dat Jozef stilletjes weende. Dit gebeuren ontroerde de moeder zeer. Zij verbaasde zich, toen zij bij haar kind al zulke buitengewone dingen bemerkte. Omdat zij schrander was, zweeg zij hierover. Het kwam haar ook vaak voor, dat zij haar kleine, onschuldige zoon in de gestalte van een boeteling zag. De moeder vergiste zich niet, want Jozef had reeds het gebruik van het verstand en was uitgerust met de heiligmakende genade. Daardoor erkende hij als geen ander de hoogste God en begreep, hoezeer God door de mensen werd beledigd. Jozef offerde zijn tranen op aan God en smeekte Heem dat Hij met de zondaars barmhartigheid heeft en hen hun zware dwalingen laat erkennen. De engel bemoedigde daarbij zijn kleine beschermeling en zei hem, dat het God welgevallig is, dat hij op deze wijze al de liefde tot de dwalende mensen tot uiting doet komen. Jozef deed het ook in de gezindheid, zijn God te behagen en de mensen te helpen.

Men kan dus zeggen, dat Jozef in deze tere leeftijd reeds de twee grootste geboden onderhield: God met al zijn vermogens en krachteen lief te hebben en ook zijn naasten. Het kind nam daardoor steeds meer toe in genade en wijsheid. God maakte Jozef als een geschenk klaar voor de tijd dat de geboorte van Maria zal komen, opdat Jozef haar getrouwe bruidegom en beschermer wordt.

De moeder kon bemerken hoe haar kind vaak dagenlang geheel in de beschouwing van zijn God was en daarbij geen voeding nodig had. Het genot van de vreugde in God was voldoende. Jozef had in zulke uren een engelachtig aanzien; zijn wangetjes werden rood, en kregen een glimlachende gezichtsuitdrukking en zijn ogen fonkelden. Zodra zijn moeder hem zo zag, liet zij hem geheel met rust, maar ook zij werd alsdan van bovenmatige vreugde vervuld en haar hart stroomde over in lofzangen en dank aan God. Ook de vader bemerkte vaak deze buitengewone toestand bij zijn zoontje..

Jozef bezorgde zijn ouders veel vreugde in de opvoeding. Wanneer hij, nog zo klein, voor de zondaars bad, zo bad hij onder meer voor zijn ouders. En God verhoorde zijn bidden, Hij schonk hun deugdkracht en gaf hun steeds meer zijn liefde.

Wanneer Jozef door de moeder naar een plaats werd gedragen, waar hij naar de hemel kon schouwen, wendde hij zijn ogen onafgewend naar boven. Hij jubelde daarbij en toonde daarmee, dat daarboven zijn Schat, zijn gehele vreugde is. Toen de moeder dit bemerkte, bracht zij hem vaak naar zo’n plaats. Dit deed zij vooral, wanneer zij hem bedrukt zag, want dan klaarde hij op. Maar ook de vrome moeder beschouwde vaak God in zijn wonderbare werken en vond daarin haar grootste vreugde.

De helse vijand bemerkte het licht dat in Jozef straalde. Hij zag, hoe deze ouders grote vorderingen op de weeg naar de volmaaktheid maakten. Daarom vreesde hij, dat het kind hem de strijd kon aankondigen en met zijn voorbeeld velen tot een vrome levenswandel van hem zou wegslepen. Maar steeds faalden zijn aanvallen, want Jozef was beschermd door de arm van de almachtige God en bewaakt door twee engelen die God hem had toegewezen. De vijand knarsetandde van woede, omdat hij zijn plannen niet kon verwerkelijken. Hij bedacht nu een andere list, hem lastig te vallen, door strijd en verwarring tussen de ouders van Jozef te brengen. Ook dit gelukte hem niet; want daar zij van grote deugdzaamheid en godsvrees waren bezield, waren zij zich zeer bewust van de aanvallen van de gemeenschappelijke vijand. Door hun bidden bemerkten zij, dat hij de vlucht moest nemen. Dan probeerde Satan de aanval op de bedienden van het huis, maar ook dit mislukte hem, want Jozef bad voor allen en God verhoorde hem. Vaak verbond Jozef aan zijn gebeden ook het vasten. Daardoor voelde de vijand zich van zijn kracht beroofd. Hij trok zich een tijdlang terug, om later bij passende gelegenheid opnieuw aan te vallen. Maar steeds weer werd hij overwonnen, want de gebeden van Jozef hadden een grote uitwerking. Zijn engel sprak vaak tot hem in de droom en leerde hem, hoe hij de vijand neer kon slaan. Hij maakte hem vele keren opmerkzaam, zodra deze zich gereedmaakte de strijd tegen hem op te nemen en de mensen in huis in opwinding te brengen.

Toen het kind de passende leeftijd had bereikt, nam de moeder het de windsels af en kleedde het. Jozef toonde daarover grote vreugde. Hij hief de handjes ten hemel, als wilde hij daarheen vliegen, waar zijn Liefste was. Men zag hem vaak in deze houding. Dan weer drukte hij de handjes gekruist op zijn borst tot teken, dat hij zijn God omarmde die in zijn hart woonde. Een andere keer vond men hem biddend met gevouwen handjes, daarbij zo in aandacht overgegeven aan zijn God, dat hij in het geheel niet aanspreekbaar scheen te zijn. De moeder liet hem in zulke gevallen helemaal met rust. Zo verwijlde hij vaak urenlang in de beschouwing van de goddelijke volkomenheid. Jozef werd daarbij door zijn engel onderricht; meer echter nog, door God zelf, die met zo’n grote begunstiging zichzelf aan zijn ziel mededeelde en hem zijn geest instortte.

Van dag tot dag nam Jozef toe in de kennis van God en in de liefde tot Hem. De kleine Jozef koesterde reeds de wens, steeds volmaakter te worden en aan de liefde van God steeds beter te kunnen beantwoorden. Daarom wenste hij zo snel als het kon, om in knielende houding, zijn bewijs van liefde en overgave ook naar buiten toe te tonen. De wensen van dit kind bevielen God en Hij vervulde spoedig zijn verlangen.

Op zekere dag, toen Jozef wakker werd, zei hij plotseling voor de eerste keer: “Mijn God!” Zo had zijn engel het hem in de droom geleerd. Toen zijn ouders het hoorden, waren zij zeer verwonderd en jubel vervulde hen,, omdat hun kind zo vroegtijdig begon te spreken. Zo ontroerd immers waren zij, dat zijn eerste woorden tot God waren gericht. De kleine Jozef riep deze woorden, uit, wanneer hij God om zijn hulp aanriep. God was toch zijn alles en schonk immers hem zijn gehele liefde. Toen hij van zijn ouders hoorde hoe zij de Allerhoogste, de God van Abraham, Isaak en Jakob noemde, voegde hij eraan toe: “En de God van Jozef”. Dit zei hij met zoveel hartelijkheid, dat zijn ouders hem vaker met eerbied de naam van God van deze heiligen voorzeiden.

De eerste stapjes maakte Jozef met het verlangen, dat hij God in al zijn stapjes verheerlijkt, nooit echter beledigt. Deze mening had Jozef ook zo vaak hij sprak, want zo leerde het hem zijn engel; en God beloonde zijn vrome gezindheid met de vervulling van zijn wensen. Voor alles wat Jozef deed, mocht hij praten, lopen, eten of zich te slapen leggen, blikte hij ten hemel en bad God om zijn welgevallen. Omdat het hem in deze vroegste kinderjaren nog niet mogelijk was, iets groters te volbrengen, offerde hij God zijn wens op en als vervang van al deze kleine, op zich levensnoodzakelijke verrichtingen, die alle tot het onderhoud van het leven behoren te zijn; het eten, drinken, slapen, enz. De kleine Jozef wist dit alles door het juiste inzicht waardevol te maken voor God; hij deed immers alles uit liefde tot Hem. Ja, hij onthield zich zelfs soms van datgene, van wat hem beter smakte. In dit alles was zijn engel hem zijn leermeester. Jozef bracht met al zijn mogelijkheden steeds weer zijn geschenk aan God, terwijl hij die akte hernieuwde, die hij maakte toen hij in de tempel was opgedragen. Toen de moeder de grote geestesgaven van haar kind steeds meer gewaar werd, onderrichtte zij het in de oefening van verschillende liefdesopwellingen tot God, zoals de Hebreeërs het deden. Daarover verheugde zich Jozef zeer en oefende zich hierin op wonderbare wijze tot verwondering van zijn moeder en allen, die hem hoorden.

Toen Jozef alleen kon lopen verborg hij zich vaak, om met opgeheven handjes te bidden. Hij dankte God voor alle gaven en bleef meestal urenlang in knielende houding. Het was aangrijpend dit knaapje zo te zien, maar nog meer, verwekte het verwondering gade te slaan, hoe het met de geest geheel in God verzonken scheen. Men kon goed zien, dat zijn wangetjes roodgloeiend waren en zijn oogjes fonkelden.

Vaak keek de moeder ongemerkt naar haar kleine Jozef wanneer hij uitriep: “O God van oneindige goedheid, hoe heeft u mij met weldaden overladen! Hoeveel ben ik U daarvoor verschuldigd!” Dit alles zei hij weliswaar nog niet met een stamelend stemmetje, doch met een van liefde vervuld hart. Maar de moeder, wanneer zij hem zo hoorde, verwekte in haar hart, gelijktijdig de gezindheid van liefde en dankbaarheid. Zij weende daarbij vaak van vreugde, omdat zij haar zoon door God zo begunstigd en met zulke uitmuntende geestesgaven overladen zag.

De ouders deelden Jozef snel mee, dat God beloofd heeft, de Messias naar de aarde te zenden en hoe men Hem met verlangen verwacht. Ook de engel sprak daarover met Jozef in de droom. Zo werd hij al door een levendig verlangen naar deze komst vervuld. Hij zond de innigste gebeden naar God, dat Hij de beloofde Messias spoedig mag zenden. God hoorde met welgevallen naar het smeken van de onschuldige Jozef, en vervulde zijn hart met jubel, zo vaak hij om de komst van de Verlosser bad. Des temeer werd hij bemoedigd deze gebeden voort te zetten.

Wanneer er in huis zich iets voordeed, waardoor God werd beledigd, zag men onze Jozef heel bedroefd. Omdat hij echter op deze leeftijd de huisgenoten nog niet kon berispen, toonde hij zijn ongenoegen over de zonde door te wenen. Toen de moeder dit op een dag bemerkte, vroeg zij hem, waarom hij zo bedroefd is. En Jozef antwoordde met grote benauwdheid: “U heeft mij zo vaak geleerd, wat ik doen moet om God welgevallig te zijn en hoe men de zonde moet ontvluchten. Wanneer ik nu zie, dat in ons huis God wordt beledigd, waarom zou ik dan niet wenen?” Dit zei hij tot zijn moeder, omdat zij nog steeds niet had begrepen, dat haar zoon al zo vroegtijdig het gebruik van het verstand ten deel viel, evenals een grote kennis van God, en daardoor ook van de zwaarte van de Hem toegebrachte beledigingen. Hij begreep, waar God recht op had, boven alles geëerd en geliefd te worden. Hij erkende, hoezeer zijn geliefde God de zonde mishaagt. De moeder spande zich van nu af aan in waakzaam te zijn, zodat God door geen enkel persoon van het huis wordt beledigd, en berispte scherp de schuldigen. Zo was de kleine Jozef door zijn gedrag de aanleiding, dat in zijn ouderlijk huis allen erop waren bedacht, onder de grootst mogelijke inachtneming van de goddelijke wet te leven.

De moeder was zeer verstandig in het geheimhouden van dat, wat Jozef haar meedeelde. Zij hield ook het weten van de bovennatuurlijke gave van haar zoon voor zich. Nooit vergat zij, dat de engel haar in de droom zei, dat haar zoon de beloofde Messias zal zien en met Hem omgang hebben. Daarom verwonderde zij zich niet al te zeer over zijn voorkeurspositie reeds in zijn vroegste kindheid. Zij legde zich er veel meer op toe, God voor zijn vrijgevigheid te loven en te danken. Vaak keek zij met grote innigheid naar Jozef, en weende van vreugde bij de gedachte, dat hem het schone lot werd toebedeeld, dat zovele aartsvaders en profeten niet konden hebben, namelijk de met vurig verlangen verwachte Messias in deze wereld gekomen te zien. Hoe vaak zei ze tot hem: “O mijn gelukzalig kind”. Jozef vroeg de moeder eens, waarom zij dit altijd zo zegt. Zij antwoordde hem wijselijk: “Dit zeg ik je, omdat ik erken, dat God je zeer liefheeft”. Dan hief Jozef de handen ten hemel en jubelde het uit: “O ja, hoe heeft God mij lief!”. Dan voegde hij eraan toe: “En heb ik Hem lief? Ach, hoe weinig heb ik mijn God lief! Maar van nu af aan wil ik Hem meer liefhebben”. Daadwerkelijk groeide hij in het toenemen der jaren ook steeds in de liefde tot God.

Toen de ouders zagen, hoe Jozef zo verstandig was, begonnen zij hem in de Schriftuur te onderrichten. Dit deed de vader zelf, daar hij in de wet zeer geleerd was. Hij wilde zijn zoon niet aan de andere leraren overdragen, zodat hij niet door omgang met vreemden die geest verliest, die God hem had meegedeeld. Zo begon Jozef met het aanleren van de lessen en het ging hem zo goed af, dat zijn vader nooit aanleiding vond om hem te berispen. Jozef was toen drie jaar oud. Hij ging voort met het lezen van de heilige Schrift en de psalmen van David, die zijn vader hem verklaarde. De knaap beleefde zo’n grote vreugde daaraan, dat hij in dit aanleren zich volijverig inzette. Daarbij vergat hij echter nooit zijn gebed. De hele tijd bracht hij door met bidden, lezen en overdenken van het gelezene. Jozef betoonde zijn ouders ook altijd stipte gehoorzaamheid.

Nooit zag men Jozef, ondanks zijn kleinheid, boos of maar ongeduldig. Steeds bewaarde hij zijn blije gezicht, alhoewel God hem vaak een beproeving toeliet, dat hij door de dienstboden in afwezigheid van zijn ouders slecht werd behandeld. De knaap verdroeg alles met geduld. En ofschoon de duivel zich intens met hem bemoeide door de bedienden steeds weer tot slechte behandeling op te hitsen, zodat het kind deze mooie deugd zou verliezen, gelukte hem dit nooit. Want Jozef was zo diep in de liefde tot zijn God gevestigd, dat niets de vrede in zijn hart kon verstoren. Zozeer echter woedde op een dag de duivel tegen Jozef, dat hij hem van de trap in het huis naar beneden smeet. God liet dit toe, zodat Jozef zich in geduld kon oefenen, zodat de helse vijand echter een des te grotere beschaamdheid onderging. Terwijl Jozef naar beneden stortte, riep hij God om hulp aan en Hij bewaarde hem voor ieder letsel. Zo had Jozef wederom de gelegenheid de genade van God te erkennen en Hem daarvoor te bedanken. De boze echter trok zich beschaamd terug.

Men zag Jozef nooit met andere kinderen van zijn leeftijd spelen. Graag bleef hij in het ouderlijk huis en hield zich bezig met leren of bidden. Zijn lievelingsboeken waren de heilige Geschriften. Jozef had een grote verering voor de Vaderen: Abraham, Isaak en Jakob, zo ook David, de psalmenzanger. Vaak vroeg hij zijn vader hem over deze heilige mannen te vertellen. Daarbij koesterde hij het verlangen hen in hun levenswijze na te volgen, omdat zij immers vrienden en lievelingen van God waren. Als hij dan zijn vader hoorde vertellen, hoe Abraham steeds aan God dacht, en alles uit liefde tot Hem deed, om volmaakt te worden, spande hij zich in ook zo te doen. Jozef was nauwelijks zeven jaar oud, toen hij het begrip bezat voor al de deugden, die deze godsvrienden hebben beoefend. In zoverre het binnen zijn vermogen lag, spande hij zich in, deze in geloof, in vertrouwen en in de liefde tot God na te volgen. Hij werd van dag tot dag deugdzamer en hij verwierf zich steeds meer het welgevallen van God.

Toen Jozef dan hoorde hoe David in de loop van de dag en de nacht, God zevenmaal op bijzondere wijze loofde, wilde hij dit ook doen. Daarom vroeg hij zijn engel, hem te wekken, zodat hij zijn Schepper op het nachtelijk uur kon loven. Jozef kende reeds verscheidene lofgebeden van buiten, die hij met groot gejubel van hart overdag en ook ’s nachts vaak herhaalde. God liet niet na hem daarvoor steeds meer te verlichten en met zijn gaven te verrijken. Terwijl Jozef de lofgebeden verrichtte, was hij zo ontvlamd van godsliefde, dat hij vaak het venster opende en daar ging staan, om naar de hemel te kijken. Daarbij liet hij zijn verlangen de vrije loop en zei: “O, gelukkig degenen, die het lot verkrijgen, de beloofde Messias te zien! O zalig degenen, die dat geluk zullen hebben hem te dienen en met Hem om te gaan!

Jozef koesterde in zijn hart een grote liefde tot de medemensen; hoe graag wilde hij allen helpen! Daarom zei hij vaak tot zijn ouders, jullie moeten de behoeftige armen aalmoezen geven; jullie moeten er niet op bedacht zijn voor hem te sparen, hij wil arm zijn, opdat de armsten geen nood hoeven te lijden. De ouders voldeden aan zijn wens en gaven rijkelijk aalmoezen.

Jozef bewaarde onverminderd de glans van zijn onschuld. Nooit bezorgde hij zijn ouders ongenoegen en al zijn handelingen waren God welgevallig. Tot de deugd van kuisheid had God hem een bijzondere liefde in het hart gelegd en ook de engel onderrichtte hem hierover, waardoor hij zich voornam, juist deze deugd tijdens zijn leven te bewaren. Opdat hij dit tot stand kon brengen, baad hij God om de nodige genaden. Daadwerkelijk voerde Jozef steeds een engelachtig leven, wat ook in zijn uiterlijk tot uitdrukking kwam, in het bijzonder wanneer hij in gebed met God had verkeerd.

De ouders van Jozef hadden juist daarom een eerbiedige liefde tot hem en beschouwde hem als een schat, als een geschenk van de hemel. Ondanks alles beproefden ze hem soms of hij hun aanwijzingen opvolgt. De knaap toonde zich niettemin in alles gehoorzaam. Jozef neigde zeer tot vasten en bovenal tot een harde levenswijze. Hij vroeg steeds weer toestemming of hij dit of dat mocht doen. Zo aandoenlijk was zijn manier, waarmee hij zijn ouders voor zich trachtte te winnen, dat het hen veelal zwaar viel het verzoek van hun zoon af te wijzen. Vaak gaf de vader hem munten, die hij aan de armen kon geven. Jozef nam het geld met zo’n innige dankbaarheid aan, alsof het hem werd gegeven. Wanneer een bedelaar in huis kwam, ging hij meteen naar zijn moeder en vroeg haar zo onderdanig om een aalmoes, alsof deze voor hem was. Jozef was zeer bedroefd als hij een arme ontmoette; en zodra hij hem kon helpen, was hij meteen weer blij.

GEBOORTE VAN DE H.JOZEF

augustus 31, 2022
Een Godsgeschenk!

Toen de tijd van de geboorte naderde, bereidde zijn moeder zich met innig gebed daarop voor, tot de grote dag kwam. Rachel baarde moeiteloos en vreugdevol haar kind. Ook de helpende vrouwen verheugde zich met de ouders, want het knaapje had zo’n lieflijke gezichtsuitdrukking; het was als een kleine engel. Eenieder die het zag, verheugde zich daarover. Toen de ouders hun nakomeling in zo’n mooie gedaante zagen, werden zij in de waarheid, die in de droom was geopenbaard, opnieuw bevestigd. Nadat de noodzakelijke verrichtingen gedaan waren, dankte de moeder God voor de gelukkige geboorte. Zij nam het kind op haar arm en offerde het God op met de wens, het eenmaal aan de heilige tempeldienst in Jerusalem toe te wijden. De Allerhoogste nam weliswaar het verlangen en het offer van de moeder aan, maar Hij reeds Jozef bestemd tot bewaker van de levende Tempel van zijn mensgeworden Zoon te maken, namelijk tot beschermer van de moeder Gods, Maria.

De bekendmaking van de geboorte van dit heel lieflijke knaapje verbreidde zich snel in Nazareth. Men zei, het schijnt een kleine engel uit het paradijs te zijn. Het kind gedroeg zich heel rustig. Hij bezorgde zijn ouders grote vreugde, maar het meeste toch aan zijn moeder, die het met zoveel liefde en zorgzaamheid voedde.

Toen er acht dagen verstreken waren, werd het knaapje, overeenkomstig de zeden van de Joden en de wettelijke plicht besneden, waarbij het de naam Jozef ontving. God gaf hem gedurende deze handeling het gebruik van het verstand en de bevrijding van de erfschuld. De kleine Jozef bevond zich nu geheel in de genade en vriendschap met God en ontving van Hem de geestesgaven, waaronder ook reeds een hoge kennis van God. Hij aanbad nu Deze, zijn God, met ontroerende innigheid, waarbij hij zijn hoofdje boog en een zalig glimlachje op zijn blozende wangetjes verscheen. Zo kon men aan de kleine Jozef de vreugde en het jubelen van zijn geest waarnemen. Hij erkende immers reeds de door God hem bewezen gunst; hij dankte daarvoor en schonk zichzelf geheel aan Hem weg. God gaf zijn lieveling behalve de engelbewaarder nog een engel aan zijn zijde, die vaak tot hem in de droom sprak en hem onderrichtte, wat hij doen moet om aan God steeds welgevalliger te worden.

Jozef had ook in deze vroegste leeftijd al het gebruik van het verstand, zodat hij God steeds beter leerde kennen en te loven zocht. Vaak dankte hij voor deze begunstiging en verdroeg de ongemakken geduldig en rustig uit liefde tot zijn God. Zijn engel vermaande hem, het lijden in de banden van de windsels aan te bieden tot dank voor de hem geschonken gaven. Deze aanbiedingen van de kleine Jozef waren God zeer welgevallig. Spoedig erkende het kind ook, hoe God door de mensen werd beledigd, waardoor hij vaak in stilte weende, zodat hij zijn ouders daardoor geen leed bezorgde. Daarvoor kreeg het van God weer grotere verlichtingen en genadegaven. Jozef had de beste begaafdheden. Hij was toegerust met veel goede natuurlijke gaven van zijn ouders, maar veel meer nog met bovennatuurlijke gaven, die God hem voortdurend schonk en waarvoor hij zich al zo dankbaar toonde.

Wanneer Jozef de voeding van zijn moeder tot zich nam, toonde hij zich bijzonder hartelijk tot haar; want hij bemerkte in haar een zeldzame vroomheid. Op een verbazingwekkende wijze groeide onze Jozef op.

JOZEF WORDT IN DE TEMPEL AAN GOD AANGEBODEN

Nadat de dagen van de reiniging, zoals de wet voorschreef, ten einde waren, reisden de ouders naar Jerusalem. Daar moesten zij het kind in de tempel aan de Heer opofferen en het dan vrijkopen, zoals de wet het verlangde. Zij namen grote geschenken als dank mee, dat God hun smeken om een kind had verhoord. Op deze reis trok Jozef een zeer vrolijk gezichtje, waarover zijn ouders grote vreugde ondervonden. Zij erkenden hoe de goddelijke genade in de ziel van hun zoon toenam en namen dit als aanleiding, in zich steeds meer de liefde en dankbaarheid tot God tot uitdrukking te brengen.

De moeder ontving in de tempel grote helderheid over het toekomstig leven van haar zoon. Na de reinigingsceremonie, overhandigde zij hem aan de priester. Toen deze het kind op zijn arm nam en God aanbood, ontving hij een buitengewone vreugde. Daarbij liet God hem kennen hoe kostbaar Hem dit kind is. De kleine Jozef schonk zichzelf reeds aan zijn lieve God en blikte gedurende de gehele feestelijke handeling ten hemel. God vermeerderde in hem de genade en liet Jozef dit ook kennen als geschenk voor zijn overgave.

De ouders kochten nu hun zoon met de gangbare geldsomvrij. Terwijl de priester het kind aan de moeder teruggaf, zei hij: “U moet het in goede gezindheid opvoeden en veel zorg aan hem besteden, want hij heeft erkend, dat dit kind God zeer welgevallig is; het zal tot iets groots bestemd zijn en velen tot troost worden”. Dit werd ook bewaarheid, want Jozef strekte niet alleen zijn levensgenoten tot troost, maar ook van nu af aan al zijn trouwe vereerders en stervenden, die zich hem aanbevelen!

Op de terugreis waren de ouders overgelukkig. Zij zegden opnieuw dank aan weenden van overgrote vreugde. Zij droegen Jozef als een schat, als een door van God gegeven geschenk naar hun geboorteplaats. De kleine Jozef hield zich op de terugreis heel rustig. Hij verheugde zich in de goddelijke genade, waardoor zijn liefde tot God steeds inniger werd. Al heel klein koesterde hij reeds de wens, deze liefde door daden te bewijzen.

HET LEVEN VAN DE H.JOZEF -Vaderland en zijn ouders

augustus 27, 2022

Het boek is te bestellen bij:

Marian van der Laan, Prof. Lorentzlaan 111, 3707 HC Zeist. Tel. 030-2254400 Mobiel: 06-54902728. Email: marianvanderlaan1951@gmail.com

Opgetekend door Maria Cäcilia Baij OSB.

Wie is Zuster Baij OSB (1694-1766)?

Zij leefde als dochter van de heilige Benedictus in Monte Fiascone bij Viterbo. Zij deed haar intrede op 12 april 1713 in het plaatselijke klooster van de heilige Petrus. In 1743 werd zij er abdis en bleef dit tot aan haar dood op 6 januari 1766.

Zuster Cäcilia was mystiek begenadigd; zij kreeg het charisma van het schouwen . In mei 1729 drukte Jezus voelbaar en werkelijk het heilig wondteken in haar hart. Hij droeg haar op al zijn openbaringen mee te delen. Zij zei: “Ik heb nooit een geschrift over de heilige Jozef gelezen, ik heb alles vernomen wat Jezus Christus in zijn genade mij heeft geopenbaard. Het werd mij gedicteerd door een innerlijke stem wat op wonderbaarlijke wijze gebeurde”.

Op 23 januari 1736, het feest van het huwelijk van Maria met Jozef, begon zij te schrijven. Midden december 1736 was zij al klaar met de levensbeschrijving van de heilige Jozef.

Op een dag zag zij Hem na ontvangst van de heilige Communie met zijn heilige wonden. Hij zei haar: “Zie mijn handen, mijn voeten, mijn zijde! Vrees niet, want Ik ben het die tot je spreek! Door de handen beschouw het werk, dat Ik je laat schrijven, door de voeten beschouw de weg, waarop Ik je voer. Door de ogen zijdewond beschouw de gunstbetuigingen en genaden, die Ik je bewijs; vrees dus niet, want Ik ben het”.

Op een andere dag na de heilige Communie voelde ik, hoe onze toegewijde heilige Jozef mij zijn hand op het hoofd legde tot teken van zijn liefde en bescherming, die hij mij ten deel laat vallen. Hierop zag ik hem in verheven heerlijkheid op een zeer hoge troon en hij zei mij: “Dochter, hoe zeer bent u door Jezus, <aria en mij begunstigd! Jezus heeft u uitverkoren de wereld van zijn innerlijk leven te openbaren. Zijn heiligste moeder en ik met Jezus hebben u voorbestemd mijn leven te beschrijven. Hoe groot zal uw loon daarvoor zijn! Ben evenwel ervan verzekerd dat u alle met de hoogste waarheid schrijven zal, zoals het in werkelijkheid is geweest”.

In het jaar 1746 toonde zich na de ontvangst van de heilige Communie de heilige Jozef aan haar in zijn heerlijkheid. Zij sprak de heilige Jozef aldus aan: Ö mijn toegewijde heilige jozef, heb met mij erbarmen! Als ik goed heb geschreven over u, herinner u mij. Als ik echter slecht over u heb geschreven, straf mij dan! De heilige Jozef zei haar echter: Ö, dochter, u heeft over mij goed geschreven”.

Zij gaf per brief haar biechtvader over haar openbaringen de volgende verklaring: “Eerwaarde, hooggeleerden willen weten wat ik al daarover herhaaldelijk heb verklaard, dat betekent, op welke wijze, ik al het gehoorde en het geziene ontvang, wat ik opschrijf. Ik wil daarover geheel eenvoudig spreken, weet evenwel niet, of ik de juiste woorden vind. Allereerst verzeker ik u, dat ik niet met de lichamelijke ogen zie, niets met het gehoor en met het reukzintuig waarneem. Alles vindt plaats in het binnenste van de ziel op geheel bijzondere wijze. Na de ontvangst van de heilige Communie erken ik de tegenwoordigheid van Jezus aan de buitengewone grote inkeer en troost die ik ondervind. Ik hoor zijn stem gelijk een lichte ademtocht. Heel gemakkelijk verneem ik haar en ik voel haar in mij niet zoals een woord van een mens, doch als het lieflijke, zachtjes ruisen van een zuchtje wind. Met deze innerlijke stem spreek ik, zonder verder daarover na te denken, met ze een vaste overtuiging, dat ik op een vraag van de andere kant geen antwoord kon geven. Daar het verkeer met Christus al 18 tot 20 jaar duurt, voel ik mij zo zeker, dat ik mij aan Hem zondermeer overgeef”.

Van harte wens ik u een zeer Genadevolle tijd in het lezen over de H.Jozef.

Greeth,

Greeth (75 jaar oud)

VADERLAND VAN DE HEILIGE JOZEF – ZIJN OUDERS.

Omdat God de heilige Jozef tot bruidegom van de moeder van zijn Eniggeborene had bestemd, wilde Hij ook, dat Jozef zoveel mogelijk aan haar gelijkend zou zijn, zowel naar afstamming, alsook door een deugdzame levenswandel.

Zijn vader,, genaamd Jacob, stamde uit Nazareth, zijn moeder Rachel was van geboorte een Bethlehemse. Beiden waren uit het geslacht van David. Na hun huwelijk verbleven zij een heel leven lang in Nazareth en blonken uit door een heilige levenswandel. Dit huwelijk was een tijdlang onvruchtbaar, want God wilde dat Jozef een door gebed afgesmeekt kind zou zijn. Uit dien hoofde gaven zijn ouders rijkelijk aalmoezen aan de armen, zo ook aan de tempel van Jerusalem. Zij reisden vaak daarheen, om van God de verlangde nakomeling af te smeken.

Op zekere dag bevonden zij zich weer in de tempel en brachten daar aalmoezen. De moeder had een groot geloof, dat God haar zal troosten en verhoren. Na de terugkeer in de stad Nazareth ontving zij de door God uitverkoren knaap. Gedurende deze tijd werden boven het huis drie helderstralende sterren gezien. Jozef was reed door God voorbestemd tot hoofd van de heilige familie. Dit teken werd echter bijna niet opgemerkt, omdat het geheim en de bestemming dat dit komende kind omgaf, verborgen most blijven. Terwijl de moeder het kind onder haar hart droeg, was zij zeer vreugdevol en was er steeds meer op bedacht, door beoefening van deugden, God steeds welgevalliger te worden. En zo nam Jozef van de moeder met de voeding, ook haar vrome gezindheid in zich op.

De vreugde van de ouders en hun liefde tot God werden alzo groter, toen een engel hun in een droom het verborgen geheim openbaarde, dat hun kind het geluk zal hebben, de beloofde Messias te zien en met Hem te verkeren. Zij moeten het daarom met grote zorgvuldigheid opvoeden en hem de naam Jozef geven. De knaap zal groot zijn in het aangezicht van God. D engel beval hen echter, dit geheim van hun kind niet mee te delen. Zij moesten slechts met elkaar zich daarover verheugen, God daarvoor danken en een eensgezindheid koesteren, waarin het kind goed kan opgroeien en in de heilige Schrift wordt onderricht. De ouders bespraken dit met elkaar en omdat aan beiden in een droom dezelfde gelukzalige boodschap werd medegedeeld, dankten zij God ten innigste. Zij bemoedigden elkaar tot grotere deugdbeoefening en bewaarden dit geheim zoals de engel het hun had bevolen.

De moeder bad veel in de tijd van haar zwangerschap, zij gaf rijkelijk aalmoezen en vastte vaak. Zij dankte God steeds weer en smeekte Hem om zijn hulp, zodat haar kind gelukkig het licht van de wereld zal zien. Ook werd zij niet veel belast door ongemakken, die anders wordende moeders te verdragen hebben. Rachel erkende in alles de goddelijke wil en toonde zich dankbaar. Ook de vader verheugde zich zeer over het gunstbetoon, dat zijn gemalin van God ten deel viel en innig dankten zij God gezamenlijk.