DE H.THERESIA VAN LISIEUX; haar geheim met betrekking tot de novicen.

Uit het boek “In  de stroming van de liefde”door P.Victor Sion o.c.d. blz. 68/85.  Serie Oasen Heideland, Hasselt.

H.Teresia kl.

De H.Teresia een jaar voor haar dood.

Teresia’s geheim in haar betrekkingen met de novicen.

Toen Teresia in 1893 voor het eerst opvoedkundige wapens opnam, was haar persoonlijke weg haar nog niet zo duidelijk als in het jaar dat zij sterven ging. Terwijl haar nieuwe plichten een grotere waakzaamheid van haar eisen, wordt zij als het ware gedwongen haar geestelijke ontdekkingen al spoedig een objectieve vorm te geven, om ze beter te kunnen meedelen. Hoe het zij, vanaf het begin van haar nieuwe taak zien wij Teresia haar diepgaande intuïties in praktijk brengen. Zij verwaarloost niets wat in haar macht ligt. Maar in het besef van haar onmacht verwacht zij van God alleen de kracht om te doen wat zij als haar plicht ziet. Juister gezegd: zij wil, dat Hijzelf door haar in de zielen zijn werk zou voltrekken.

Plichtsgetrouwheid. Teresia neemt haar taak ernstig op. Bewust van het belang ervan, voelt zij zich als “het penseeltje, dat Jezus heeft uitgekozen om zijn beeld in de zielen te schilderen”. Deze omstandigheden geeft aanleiding een andere uitlating van de heilige in hetzelfde licht te zien. In diezelfde tijd droeg Moeder Agnes haar de taak op van geestelijke “zuster” van een toekomstige missionaris. Ook hierin dezelfde getrouwheid:  “Ik begreep de verplichtingen, die ik op me nam; daarom ging ik aan de slag, pogend mijn ijver te verdubbelen”.  Haar oplettendheid gaat inderdaad tot het uiterste.  “Sinds ik in Jezus’armen plaats nam, ben ik als de wachter, die vanaf de hoogste toren van een burcht de vijand gadeslaat. Niets ontgaat mijn blik…  Nooit zal ik de huurling nadoen, die bij het zien van de wolf, de kudde in de steek laat en wegvlucht: ik ben bereid mijn leven voor hen (de lammetjes) te geven”.

Door de dag bestaat haar enige zorg erin, “hen dikwijls in de schaduw van de weide te voeren, hun de beste en meest versterkende kruiden aan te wijzen, hun goed de stralende bloemen te laten zien, waar ze nooit mogen aankomen dan alleen om ze te vertrappen”.

De jonge meesteres geeft zich zonder voorbehoud aan haar plichten, met een zo voortdurende inspanning, dat haar novicen haar “streng” vinden. Maar zij handelt alleen in hun belang, hoeveel het haar van nature ook moge kosten. “Als ik vroeger een zuster zag doen wat me niet aanstond en me tegen de regel scheen, zei ik bij mezelf:  O, als ik haar eens zou mogen zeggen wat ik denk, haar tonen dat zij ongelijk heeft, wat zou me dat eens goed doen!.  Sinds ik dat beroep enige tijd uitoefen, ben ik helemaal van gevoelen veranderd, dat verzeker ik U, Moeder.  Als het me nog overkomt, een zuster iets te zien doen wat mij onvolmaakt schijnt, slaak ik een zucht van verlichting en zeg bij mezelf: Wat een geluk!  Het is geen novice, ik ben niet verplicht haar te berispen”.   De plicht haar zusters te verbeteren valt haar inderdaad zo zwaar, dat zij de profeet Jonas gemakkelijk te verontschuldigen vindt uit Gods aanschijn weggevlucht te zijn, om niet de ondergang van Ninive te moeten aankondigen. Toch deinst haar ijver voor niets terug: “Meer dan eens heb ik horen zeggen: Als u iets van me gedaan wilt krijgen, moet u me met zachtheid aanpakken, met kracht bereikt u niets.  Maar ik weet,  dat niemand een goede rechter is in zijn eigen zaak”.  De herinneringen en raadgevingen, door haar novicen na haar dood opgeschreven, laten ons zien hoe niets haar ontging.  Zij geeft een standje aan een novice, die over haar moeheid klaagt of bij O.L.Heer vertroostingen wil zoeken; aan een, die een felicitatie verwacht na de deugd beoefend te hebben; aan een ander, die op weg naar het washuis loopt te slenteren.  Zij leert haar zusters, niet al te zeer op te gaan in hun bezigheden en zich niet op te winden over hun werk, maar altijd in geestelijke vrijheid bezig te zijn…

Op andere ogenblikken troost en bemoedigt zij, leert zij hoe een vernedering te aanvaarden of met een verstrooidheid zijn voordeel te doen, ofwel helpt zij in het nakomen van de regels, zoals het neerslaan van de ogen in de refter. Soms stelt zij een gebed op om een of andere genade te vragen.  Uit de briefjes die zij schrijft blijkt zowel haar hartelijkheid als haar psychologische en geestelijke scherpzinnigheid. Zij leent een boek uit, waarvan zij meent dat het iemand goed zal doen, nog voordat zij het zelf uitgelezen heeft.  Zij laat haar medezusters in al haar inwendige verlichtingen delen”.

Deze korte schets van Teresia’s manier van doen volstaat, om ze ons niet in te denken als voortdurend verzonken in een bedenkelijke, vage, teruggetrokken contemplatie. De liefde tot God stelt haar op de meest praktische en concrete wijze in dienst van haar zusters, waardoor zij elk ogenblik in beslag genomen wordt. Zij verwaarloost niets, gaat zonder wanorde of overhaasting, maar met flinkheid en vrede te werk.  Geen ogenblik is zij gespannen of onrustig, altijd bewaart zij haar kalmte en ingetogenheid. Tegenover de  radeloosheid van een novice verliest zij haar volmaakte zelfbeheersing niet; in een groot gevaar, zoals levend te verbranden tengevolge van een onvoorzichtigheid, blijft zij dezelfde, vol vertrouwen, in stilte zichzelf aan God opdragend, zonder te bewegen.

Zij maakte zich geen illusies over de zin en draagwijdte van haar werkzaamheid. Zij heeft haar onmacht reeds zo sterk kunnen voelen in haar persoonlijk streven naar heiligheid, dat zij deze ondervinding niet nog eens over behoeft te doen. Onbekwaam zichzelf te veranderen, voelt zij van meetaf aan, dat zij nog machtelozer is als het erom gaat de anderen te veranderen. Bij haar eigen onmacht komt in haar taak nog de onmacht en de vrijheid van haar zusters.  Zonder redeneren is Teresia zich haar beperktheid bewust. “Toen het mij gegeven werd, in het heiligdom van de zielen binnen te dringen, zag ik dadelijk dat die taak mijn krachten te boven ging… Uit de verte lijkt het gemakkelijk de zielen goed te doen, hun te leren God meer te beminnen, kortom, hen naar eigen opvattingen en persoonlijke mening te vormen.  Van dichtbij blijkt het tegendeel, men voelt dat het even onmogelijk is, goed te doen zonder Gods hulp, als de zon ’s nachts te laten schijnen.”

Wisselwerking van natuur en genade.  Teresia gaf er zich rekenschap van, dat God,door haar de verantwoordelijkheid voor haar zusters toe te vertrouwen, haar een plaats gaf in zijn eigen werk, dat geheel bovennatuurlijk is: de vorming en heiliging van de zielen. Duidelijk ziet zij in, dat zij niets anders kan en mag zijn dan werktuig, hoewel niet willoos, en haar soepelheid en volgzaamheid onder Gods leiding moet bewaren. Daarmee is het ogenblik gekomen haar geestelijke ontdekking vruchtbaar te maken en zonder aarzelen in haar “lift” te stappen.

“Ik heb mij als een klein kind in Gods armen geworpen en Hem gezegd: Heer, ik ben te klein om uw kinderen te voeden. Als Gij hun door mij wilt geven, wat voor ieder van haar geschikt is, vul dan mijn handje en zonder uit uw armen te gaan, zonder mijn hoofd om te draaien, zal ik uw schatten uitdelen aan de ziel die mij om voedsel komt vragen.”  Het is niet moeilijk de werkelijkheid te zien onder deze beeldspraak. In haar taak van novicenmeesteres volgt Teresia dezelfde tactiek als in haar eigen heiligheidsstreven: zij richt zich uitsluitend op de vereniging met God, aanvaardt volledig haar onmacht, blijft klein en overgegeven aan de Liefde, om Haar als het ware te dwingen, zelf in de zielen werkzaam te zijn.

“Sinds ik begrepen heb dat het me onmogelijk was, iets uit mezelf te doen, scheen de taak, die Gij mij hebt opgelegd, me niet moeilijk meer. Ik heb gevoeld dat er maar één ding nodig was: mij meer en meer met Jezus te verenigen en dat al het overige mij als toegift geschonken zou worden. Mijn hoop werd inderdaad nooit beschaamd. God heeft mijn handje willen vullen, zo vaak het nodig was, om de ziel van mijn zusje van voedsel te voorzien.”  Niets anders aan haar novicen geven dan wat van God afkomstig is, en dit tenvolle, zijn genade niet misvormen of verloren laten gaan, zo komt ons Teresia’s streven voor, terwijl zij zich aan Gods hart vlijt.  En om dat ideaal volledig te verwezenlijken, voelt zij meer dan ooit de dringende behoefte, in Jezus te verdwijnen.  Terwijl zij er zo haar enige zorg van maakt in de vervulling van haar plichten inwendig met God verenigd te zijn, bedoelt zij daar evenwel niet mee, alle persoonlijke en onmiddellijke werking uit te sluiten. Teresia maakt de goddelijke invloed nooit geheel los van de menselijke pogingen waarvan hij zich gewoon bedient. Maar in haar pogen blijft zij absoluut afhankelijk van God en zij gebruikt menselijke middelen, als zij overtuigd is dat God daar gebruik van wil maken om zich aan de zielen mee te delen. In deze juiste houding heeft zij het volmaakte evenwicht gevonden tussen een te eenzijdig geestelijk streven, dat, met voorbijzien van het menselijke, van de hemel kant-en-klaar werk en gevormde novicen verhoopt, en een bedrijvigheid, die het bovennatuurlijke element onderschat en zoveel waarde hecht aan de tweede oorzaken, dat de Eerste Oorzaak min of meer vergeten wordt.

Door Gods wil “eerste” onder haar medezusters in het noviciaat, heeft Teresia tegenover hen een werkelijke, concrete taak. Zij denkt niet dat God alles zal doen zonder haar, maar wetend dat Hij haar gekozen heeft ondanks of juist terwille van haar kleinheid, is zij ervan overtuigd, dat Hijzelf haar zal voorzien van het nodige licht, de noodzakelijke genaden voor de zielen. Zij wil ze met een dagelijks groeiende getrouwheid en volgzaamheid opvangen om ze aan haar novicen door te geven. Wat doet zij daar praktisch voor?  Zoals zij eens zei: niets anders dan standvastig met Jezus verenigd te blijven, niets te zeggen of te ondernemen zonder zich eerst tot Hem of tot de H.Maagd gewend te hebben. Een van haar novicen getuigt:  ” Als haar een vraag gesteld werd, dacht zij altijd een ogenblik na alvorens te antwoorden.”

Dan, of zij het voelt of niet, gelooft de heilige aan Gods tussenkomst: door haar totale afhankelijkheid van God leeft zij in de diepste nederigheid. “Van zijn kant zou het penseel zich niet kunnen beroemen op het kunstwerk, dat ermee gewrocht wordt, Het weet wel, dat kunstenaars niet in verlegenheid raken, maar de moeilijkheden spelen en er soms plezier in hebben zwakke en gebrekkige instrumenten te gebruiken.”

Maar haar zekerheid, dat hetgeen zij aan de zielen geeft van God komt, maakt haar gedrag tegenover hen vastbesloten.  “Ik zal uw schatten geven aan de ziel, die mij om voedsel komt vragen. Als het bij haar in de smaak valt, zal ik weten dat zij het niet aan mij maar aan U dankt. Maar als zij zich integendeel beklaagt en bitter vindt wat ik haar aanbied, zal mijn vrede niet verstoord worden. Ik zal haar trachten te overtuigen, dat dit voedsel van U komt en zal er wel voor oppassen iets anders voor haar te zoeken.”  In de zieleleiding is flinkheid evenzeer nodig als nederigheid, niet alleen het welslagen van haar werk, maar ook haar eigen zielevrede hangen daarmee samen.  Teresia zegt dit uitdrukkelijk.

Zij voelt zich niet onmisbaar.  Al wil God ook door haar, die Hij als novicenmeester heeft aangesteld, een déél van zijn werk voltrekken, de heilige vergeet daarom nog niet, dat er nog een ander, méér verborgen en van méér gewicht is, dat Hij heel goed zonder haar tussenkomst ten uitvoer kan brengen. Zij denkt niet dat Hij haar nodig heeft. Als zij Gods werk in de haar toevertrouwde zielen aanvoelt, blijft zij op de achtergrond en bidt Jezus, dat Hij rechtstreeks in die zielen zou werken. Wij hoorden het haar al tegen een novice zeggen: “De bel voor het gebed luidt. Ik heb geen tijd u te troosten. Ik zie bovendien duidelijk in dat het vergeefse moeite voor me zou zijn. God wil dat u voor het ogenblik alleen lijdt.”  Maar met die weigering meende zij niet klaar te zijn, zij bad voor haar zusje “dat O.L.Heer haar zou troosten, haar ziel zou verlichten en haar de waarde van het lijden zou doen inzien.”  Zij werd onmiddellijk verhoord. Iets dergelijks deed zich later voor tijdens Teresia’s ziekte. Dezelfde novice, die zich innerlijk door God veranderd voelde op de voorbede van Teresia, kwam haar zeggen: “Maak u maar niet meer ongerust over mij, ik heb geen verdriet meer. Ik voel dat u voor mij bidt en door uw lijden verkrijgt u veel genaden voor me.”  Teresia’s geheim bestond dus niet in het van zich afschuiven van een bijzonder moeilijk geval, maar hierin, dat zij haar taak nooit als een zuiver menselijk en persoonlijk werk opvatte. Zij wilde evenmin haar taak tot een menselijke bezorgdheid laten uitgroeien,  maar integendeel er gebruik van maken om nog sterker met God verenigd te leven. Zij heeft àl haar plichten ernstig op zich genomen, maar zonder andere zorg dan de Liefde. Door op heldhaftige wijze alle natuurlijke opwinding in en om haar te beheersen, heeft zij van haar taak Jezus’zaak gemaakt. Nooit heeft zij de duizend en één dagelijkse moeilijkheden op zuiver menselijk plan alleen willen oplossen. Maar door haar voortdurend God-verbonden leven zorgde zij ervoor, dat Hij alles door haar en in haar plaats tot stand bracht. Sterk in deze ondervinding en zeker van de doeltreffendheid van haar werkwijze kon Teresia enkele dagen voor haar dood verklaren: “Het is mogelijk, altijd klein te blijven, zelfs in de belangrijkste functies en in een lang leven. Indien ik stierf op tachtigjarige leeftijd, indien ik in verschillende kloosters verantwoordelijke taken had volbracht, dan zou ik nog even klein gebleven zijn als nu, dat voel ik heel goed.”  Zo waar is het, dat iedere ziel van goede wil, wat ook haar werk of zwakheden mogen zijn, in Jezus haar Weg, haar Waarheid en haar Leven kan vinden. Als Jezus’liefde een hart eens in beslag heeft genomen, blijft Hij daarin niet lijdelijk als een abstract en vaag begrip. Hij wordt een dagelijkse werkelijkheid, een “bron” die opbruist ten eeuwigen leven.”

Godsvrucht tot de H.Maagd.  Het dient opgemerkt te worden, dat Teresia’s houding tegenover de H.Maagd niet minder kinderlijk is dan tegenover God. Maar terwijl zij van haar hemelse Vader alle heiligheid, alle diepgaande bovennatuurlijke invloed verwacht, laat zij aan de H.Maagd de zorg voor de kleine bijzonderheden en elke dag over. Laten wij hier in het kort nagaan met hoeveel bekoorlijke intimiteit de heilige met haar Moeder verenigd was, waarna wij zullen opmerken, dat die vertrouwelijkheid toenam naarmate Teresia in Maria het volmaakte en navolgbare toonbeeld vond van de evangelische kindsheid, zich aan haar moederlijke gunst overgaf in een innigheid die bijna vereenzelviging werd met dit allesovertreffende kind van God, de Onbevlekte.

1e. Teresia heeft weinig over de H.Maagd geschreven. Is het stilzwijgen niet “het bewijs van een onuitsprekelijke liefde?”  Hier en daar vinden wij wel enkele verspreide opmerkingen, in haar gedichten, brieven en in de Novissima Verba, die er ons iets van openbaren. Maar enige maanden voor haar dood heeft Teresia getracht heel haar rijkdom van mariale ervaring in een lang gedicht vast te leggen: Waarom ik U min, o Maria.  “Nog hoor ik haar zeggen,” verklaart Zr. Genoveva, “dat zij alvorens te sterven alles wilde zeggen wat zij over de H.Maagd dacht.”  Het is eerder een lied dan een dichtwerk en daarom zouden wij, om er alle nuancen van genegenheid juist van aan te voelen, de melodie, die zij ervoor uitgekozen had, erbij moeten kennen.  Het was Teresia’s laatste lied. Het ogenblik van haar dood nadert en terwijl de zieke op haar lijdensbed haar levensloop in de geest nagaat, ontmoet zij overal hetzelfde gelaat van Maria, die zij “Mama”noemde. Teresia’s mariaal leven ontwaakte met haar religieus bewustzijn. In de tederheid van het kleine meisje voor Maria is iets van een aangeboren, bovennatuurlijke aanvoeling. Van jongsaf waren beproevingen haar deel: op vierjarige leeftijd verliest ze haar moeder; als ze negen jaar ouds is, gaat haar “moedertje” Pauline van haar heen, naar de Karmel, dan volgt de geheimzinnige ziekte. Maar juist door die pijnlijke omstandigheden blijkt haar vertrouwen in Maria sterker te worden en haar hele verdere leven zal deze onmiddellijk en spontaan reageren.

Van haar Moeder verwacht Teresia alles, eerst voor haarzelf: “Zij doet toch zo goed mijn boodschappen!”  Maar niet minder voor de zielen: “Zij was van mening dat elke bekering verkregen moest worden door Maria aan te roepen.”  Zij deelt alles met haar Moeder… zelfs in de refter! “Ook de H.Maagd krijgt haar deel… warme porties en heel rijpe vruchten.”  Teresia vertrouwt zich vooral aan haar toe in de kleine levensomstandigheden, want “iets vragen aan Maria is niet hetzelfde als iets aan God vragen. Zij weet wel wat zij met mijn kleine verlangens moet doen, of zij ze al of niet moet zeggen… kortom, zij moet maar zien dat God niet gedwongen wordt, zodat Hij in alles zijn wil kan doen.”  Maria is haar verpleegster, die haar in haar ziekten bijstaat: “Vannacht, toen ik niet meer kon, heb ik aan de H.Maagd gevraagd mijn hoofd in haar handen te nemen, zodat ik het kon uithouden.”  Ik heb veel, erg veel geleden, maar ik heb mij bij de H.Maagd beklaagd…   Is Maria niet gewend aan stervenden?  “De H.Maagd heeft haar Jezus geheel bebloed en onherkenbaar op haar knieën genomen!  Dat is wat anders dan wat u zult zien!”  Geen enkele onzekerheid kan dit kinderlijke vertrouwen ver storen:  “Als men tot Maria gebeden heeft en zij ons niet verhoort, moet men haar laten doen zonder verder aan te dringen of zich te verontrusten…”  Maar moet een moederhart niet ontwapend worden bij een bede als deze:  “Gisteravond vroeg ik aan de H.Maagd mij niet meer te laten hoesten, zodat Zr. Genoveva zou kunnen slapen, maar ik heb erbij gezegd: Als U er niet voor zorgt, zal ik nog meer van U houden!”  In haar wreedste beproevingen, tijdens haar zielenacht, als zelfs Jezus zich aan haar ogen onttrekt, kan Teresia nog Maria aanzien. Toen men het beeld van de glimlach de laatste maanden van haar ziekte tegenover haar bed had gezet, “richtte zij er onophoudelijk haar blik heen…”  Wij moeten daar geen gevoelige of onverstandige gehechtheid aan zien. Teresia weet waarom zij vertrouwt en zegt dit in haar eigen beeldrijke, maar altijd theologisch ware taal: wij zijn slechts kinderen van Maria door Jezus, haar Zoon:  “Wel groot moet het geval van zijn broeders, de zondaars, zijn, daar Hij immers “Jezus, uw eerstgeborene” genoemd moet worden.” Ook ten hemel opgestegen blijft Maria “onze steun”.  Onmiddellijke gevolgtrekking: “De schat van de Moeder hoort ook aan het kind,” en Teresia bemachtigt Hem zonder aarzelen en vol vrijmoedigheid, waardoor het hart van haar Moeder wordt verblijd.  Wij zijn immers kinderen, laten wij er dan ook naar handelen!  Dat is de mariale weg van de heilige en zij is er zich van bewust, aldus aan een verborgen bedoeling van de Vader te beantwoorden, aan dat geheim dat Hij aan de kleinen openbaart.

“De Heer kende uw oneindige tederheid, Hij kende de geheimen van uw moederhart.”  Haar ontelbare oplettendheden en kinderlijke voorkomendheid, hebben tussen de H.Maagd en Teresia een grote vertrouwelijkheid geschapen. Als de heilige haar wil beschrijven, drukken haar beelden altijd de houding uit van het heel kleine kind: zij ziet zichzelf in Maria’s armen, aan haar hart, onder haar sluier, zingend op haar schoot. Onophoudelijk werd haar liefde verjeugdigd in dat werkelijk beleven. Verder nog dan haar beeldspraak, gaat haar oprechte, volledige overgave van het kind aan haar Moeder, die zij altijd dichtbij weet:  “Het valt me niet moeilijk te geloven dat ik uw kind ben.”  Aangevlijd tegen haar Moeder, “wier blik alle vrees verbant,” beluisterd Teresia de moederlijke klanken van Gods hart en stemt er haar eigen neigingen op af:  zij leeft met Maria haar leven met God, rustig als een kind. De “de kleine weg” is daar als in de kiem aanwezig: het contact met Maria maakt haar ziel gevoelig voor de waarde van het kind-zijn. Zichzelf “niet” erkennen…, alles van God verwachten…., zich nergens ongerust over maken…, gene vermogen verdienen…, klein blijven met geen andere bezigheid dan bloemen van liefde te plukken…, zich niet inbeelden deugden te bezitten…, zich niet ontmoedigen:  in Teresia’s ogen vormt dit alles tezamen de geestelijke kindsheid en die houding is inderdaad eigen aan het kind tegenover zijn moeder. Hoe inniger haar vertrouwelijkheid wordt, hoe dieper Teresia in de geest der zaligheden doordringt. Hoe meer zij zich aan de H.Maagd overgeeft, hoe trouwer zij zich als Gods kind gedraagt. Terwijl zij zich geheel en al aan Maria geeft, zet diezelfde beweging zich verder door, om in Gods vaderhart uit te monden. Dat heeft zij door het evangelie van Maria geleerd.

2e. De vertrouwelijkheid wordt gevoed door een ononderbroken mededeelzaamheid, waarin de liefde ernaar streeft te kennen en zich te geven. Als de beproevingen zich opstapelen en zij zich voor de zielen volledig uitput, wordt haar eenzaamheid geleidelijk drukkend. De innige hartelijkheid en de liefkozende uitdrukkingen, waarmee Teresia haar “Mama” omringt, moeten ons niet misleiden. Al blijft haar hart kinderlijk, haar levenswerkelijkheid is die van een volwassenen, van een mystieke ziel. Meer dan ooit heeft zij een echte moeder nodig, die naast haar gaat “op vreemde bodem”, want  “dat is wel de ballingschap in al haar zwaarte.”

“Om zijn moeder te kunnen beminnen, Moet zij met haar kind wenen…”  “Wanneer zij haar leven overweegt, in het evangelie beschreven,”ontmoet Teresia O.L.Vrouw, zacht en bedroefd zoals zijzelf, vol hemelse vrede:

“Ik zie U sterfelijk en lijdend als mezelf… Ik durf  U aanzien en tot U naderen…”  “Ik heb begrepen, dat zij niet alleen in haar ziel, maar ook in haar lichaam geleden heeft. Op reis leed zij erg van de kou, de hitte, de vermoeienis.. Heel wat keren heeft zij gevast…. Ja, zij weet wat lijden is.”

 

Zij ziet bij voorkeur Maria heel eenvoudig “omgaan met de andere vrouwen,” die gemoedelijk met haar kwamen praten… en haar vroegen, of de kleine Jezus mee mocht gaan om met hun kinderen te spelen.”  “Wat zou ik graag priester hebben willen zijn om over de Maagd Maria te spreken!… Allereerst zou ik aangetoond hebben, hoe weinig Maria’s leven bekend is. Men zou ook geen onwaarschijnlijkheden over haar moeten vertellen of dingen, waarvan men niets afweet.. Als een preek over de H. Maagd vrucht wil dragen, moet men haar werkelijke leven afschilderen, zoals we het uit het evangelie kunnen begrijpen, en niet iets wat we maar veronderstellen.”  Teresia prijst heel zeker de Allerhoogste, “aan Maria grote dingen te hebben gedaan.”   “Het is goed over haar voorrechten te spreken, maar men moet het niet daarbij laten. Men moet haar doen beminnen.”   Om haar te beminnen en haar te doen beminnen, wil Teresia har Moeder zo dicht bij ons. Nazareth verrukt haar:  “Ik weet dat U in Nazareth, Maagd vol genaden, Heel arm leefde en niets méér wilde, Geen verrukkingen, wonderen, extasen…” Niets dan de liefde van elk ogenblik, in alle stilte. Want  Jezus wilde dat zijn Moeder  “het voorbeeld zou zijn voor de ziel, die Hem zoekt in de nacht van het geloof” en dat ook zij  “de nacht en de angst des harten moest ondergaan.”

Als wij Teresia zo vaak zien terugkomen op de nederigheid en evangelische eenvoud van Maria, dan was dat omdat zij in haar Moeder een ziel zag in een ononderbroken akte van overgave, onopvallend en voortdurend in overeenstemming met Vaders wil: Fiat mihi.

In dit volmaakte beleven is Maria om ze te zeggen de gepersonifieerde geestelijke kindsheid geworden: Zie de dienstmaagd…. De “kleine weg”werd dus al lang vóór Teresia door de Onbevlekte ontdekt. De persoonlijke noot van Teresia is, begrepen te hebben hoezeer wij een Moeder nodig hebben om echte godskinderen te worden en in Maria’s voetstappen alle voorwaarden tot een volledige overgave ontdekt te hebben.

 

3e. “Men laat ons Maria bijna ongenaakbaar zien, men zou haar moeten tonen in haar navolgbaarheid, in haar beoefening van de verborgen deugden, zeggen dat ook zij, net als wij, uit het geloof leefde…””   “Men weet wel, dat de H.Maagd koningin van hemel en aarde is, maar zij is nog meer Moeder dan Koningin.”  Wat een zekerheid van opvatting in deze ontboezemingen van Teresia!

Heer vertrouwelijke omgang met Maria openbaarde haar Moeders liefde, haar beschouwing Maria’s onuitsprekelijke schoonheid. Maar het is juist door onafgebroken onder Maria’s invloed te leven dat Teresia de macht van haar Koningin ervaart en uit haar genademoederschap de kracht put om haar tot het heldhaftige toe na te volgen.

Altijd trouw aan haar kinderlijke houding, volgt Teresia Maria op de voet:  “Ik wil met U leven, U iedere dag volgen.”  Zij volgde haar na in de gehoorzaamheid “zonder uitstel en zonder redeneren,” in haar nederigheid, die “God verrukt en de H.Drieëenheid  aanlokte in haar binnenste neer te dalen;” zij volgde haar na in haar stilzwijgen tijdens de zielsangst van Sint-Jozef:  “Als de goede Sint-Jozef het geheim niet kent… Laat Gij hem wenen heel dicht bij het tabernakel Dat de goddelijke schoonheid van de Heer versluiert.”

Het is gemakkelijk daarover te schrijven, maar het drama werd door Teresia diep aangevoeld en doorleefd. het mysterie van Gods wegen!

Maria leidt haar stilaan op tot het inwendige leven; alles wat God niet is, dringt zich niet meer aan haar op. “Van alle aardse schoonheden zie ik, dat zij ijdelheid zijn…

 

Maria’s tegenwoordigheid leidt het kind niet af, maar houdt haar dieper afgezonderd in een zwijgende liefde. Daar, héél dicht bij haar  “Hartekoningin” smaakt Teresia de vrede der zuivere harten die het koninkrijk bezitten: …… “In de armoede blijft uw hart opgewekt, Want  is Jezus niet het schoonste vaderland?  Wat geeft de ballingschap!… Gij bezit de hemelen.”

Maar Teresia leert vooral van de Onbevlekte de grootheid van haar kleinheid.

 

De kleine Teresia van Lisieux

 

De kleine Teresia van Lisieux.

 

Zij hebben samen een zwijgende overeenkomst gesloten: Maria heeft haar Treesje uitverkoren en glimlachte haar toe in haar kinderjaren.  “Uzelf heb ik uitgekozen om de zuster van Jezus te zijn…” laat zij Maria zeggen.  Maar … , opdat Ik u altijd verberge  Onder mijn sluier, dicht bij Jezus, Moet ge klein blijven”

“…. En wanneer iemand u komt zeggen   Dat men uw werken niet ziet: Ik bemin veel, kunt ge antwoorden, Dat is mijn taak hier beneden….”

Beminnen in de verborgenheid, maar zich heel wijd voor het inwendige licht openstellen, dat is het Mariale geheim, waardoor de kleine weg van Teresia overstraald wordt. Daarin heeft zij de diepste houding weergevonden van al die “armen van Yahweh”,  die wij in hun troosteloosheid door het hele Oude Testament heen tegenkomen en wier gebeden tenslotte in het Magnificat hun hoogtepunt vinden.

“Hij heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd,” zingt Maria. Teresia laat ons in haar stervensuur een weerklank ervan horen: “Ja, ik heb de nederigheid des harten begrepen.” Zij voelt dat hele scharen haar op die mariale weg zullen volgen. “Het aantal kleinen is wel groot op aarde, Zij kunnen zonder beven hun ogen naar U opslaan.””

De heilige van haar kant heeft niet alleen met die blik genoegen genomen. Het wekt de indruk, dat zij door eenzelfde intuïtie als andere mariale mystieke zielen aan een zekere vereenzelviging dacht. Zo schrijft zij:  “Ik draag immers de Allerhoogste in mij… Zo zijn uw deugden, uw liefde ook de mijne…”  en zij ziet die vereniging zo innig, dat Jezus zelf Teresia voor Maria aanziet:  “Wanneer dan ook in mijn ziel de blanke Hostie neerdaalt, Denkt Jezus, mijn zoete Verlosser, in U te rusten!   Geeft trouwens de hoge mystieke genade van juli 1889 er geen aanleiding toe te denken, dat het een stadium was in haar Maria-leven?

“Het scheen mij dat er over alle aardse dingen als een sluier geworpen was…. Ik voelde me helemaal verborgen onder de sluier van de H.Maagd…  Ik deed alles alsof ik het niet deed, het was alsof ik in een geleend lichaam handelde.

 

“Met U heb ik geleden,” zingt Teresia op haar ziekbed. Stap voor stap is zij, tezamen met Jezus en Maria, de Calvarieberg genaderd op haar weg van overgave.  Zij weet dat de liefde sterker is dan de dood en dat zij alles ineens

van haar kan wegnemen. Maar wat doet dat ertoe!   “Jezus mag alles afnemen, wat Hij me heeft gegeven, Zeg Hem, dat Hij met mij geen omslag behoeft te maken…”   De Vader, die in het verborgen ziet, heeft Teresia aan haar woord gehouden. Hij heeft haar willen  “verbrijzelen door het lijden.”  Samen staande met haar “Smartemoeder”, beheerst Teresia haar eigen leven. Vanaf de hoogte van het lijden overschouwt zij beter Gods alomvattend plan en de geheimzinnige onbegrijpelijkheden van zijn liefde: “Is het dan iets goeds op aarde te lijden?  Ja, minnend lijden is het zuiverste geluk!” Zij weet dat bij ondervinding hoeveel de kleine zielen moeten lijden voor de verlossing van anderen!  Maar zij weet in haar  “weg” niet bedrogen te zijn. In de bovennatuurlijke wereld waarin zij van jongsaf haar volle ontwikkeling doormaakte, heeft zij nooit iets anders gezocht dan de kracht van de zelfverloochening, geen andere vreugde dan de armoede, geen andere grootheid dan de overgave.

Zij heeft in Maria een koningin en een beschermvrouwe gevonden, een altijd toegankelijk voorbeeld in haar diepe en grote menselijkheid. Het leven van Maria, Maria’s hart zijn voor haar een levende weergave van het evangelie, de korte weg van de overgave. Maar meer nog dan een stralende schoonheid, is de H.Maagd voor Teresia de Moeder, die kinderen baart en opvoedt!!

Haar geschiedenis van een kleine Bloem is een aaneenschakeling van Maria’s moederlijke tederheden. Maria heeft haar kind langzaam en vredig geleid op een weg die steeds smaller werd, en haar tenslotte in de nacht van haar blijde en droevige geheimen laten delen. De hemelse glorie? Teresia weet dat zij nabij is: “Alles is volbracht!  Alleen de liefde is het die telt.” En de liefde staat klaar om haar te ontvangen. Reeds straalt Gods onuitsprekelijke goedheid met een nog zachtere glans op het gelaat van de Onbevlekte:  “Gij die me kwam toelachen in de morgen van mijn leven, Kom mij weer toelachen, Moeder nu het avond is!”

—  .   —

 

PS. Voor een overzicht van mijn verhalen kunt u in Google intikken: Overzicht verhalen van Greeth’s Blog.

Heel veel Genaden, Licht en Vrede toegewenst!


%d bloggers liken dit: