MARIA VIERT VERSCHILLENDE FEESTEN; OA DE OPDRACHT IN DE TEMPEL, DE H.JOACHIM EN ANNA EN ST. JOZEF

DSCI0508

SINT JOZEF MET DE KLEINE JEZUS.

Uit het boek “De mystieke stad Gods” deel 8, opgetekend door Maria van Agreda o.i.c.

De allergezegendste Maria viert nog meerdere feesten met haar engelen, in het bijzonder de opdracht in de tempel en de feestdagen van de heilige Joachim, de heilige Anna en Sint Jozef.

625. Dankbaarheid voor de weldaden die wij ontvangen hebben uit de handen van de Heer is een nobele deugd, die tevens onze samenspraak met God onderhoudt. Hij, die als een rijke, edelmoedige en machtige, zijn gaven aan ons schenkt; wij, als armen, nederigen en geheel op de hoogte van onze noden, onze dank betuigend; dit is de communicatie die dan ontstaat. Het is natuurlijk, dat Hij die vrijgevig en edelmoedig geeft, tevreden zou zijn met de dank van hem die als behoeftige de weldaden ontvangt en deze dankbaarheid is een korte eenvoudige en goedbedoelde wedergave welke de vrijgevige schenker genoegdoening verschaft en hem aanzet tot voortzetting van zijn vrijgevigheid. Indien zoietss tussen mensen met een edelmoedige en grootmoedig hart plaatsvindt, hoeveel temeer dient dit dan te geschieden bij de gaven die God aan de mensen geeft, want wij zijn ellende en armoede zelf, terwijl Hij rijk, zeer vrijgevig is en indien we ooit enige terughoudendheid in Hem zouden ontdekken, dan zou dat zijn op het ontvangende vlak, niet op het gevende. Aangezien deze Heer zo wijs, rechtvaardig en onpartijdig is, zal Hij ons nimmer verwerpen om onze armoede, maar slechts wegens onze ondankbaarheid. Hij wenst ons een overvloed te schenken, maar tegelijkertijd wil Hij dat wij daar dankbaar voor zijn en Hem glorie, eer en lof, die vervat zijn in dankbaarheid, brengen. Een dusdanig antwoord op kleine weldaden verplicht Hem andere, grotere te schenken; indien wij daar dan weer dankbaar voor zijn, vermenigvuldigt Hij alle gaven. Maar het zijn slechts de nederigen die deze gaven ontvangen, omdat ze steeds dankbaar zijn voor wat ze ontvangen.

626. De grote lerares van deze wetenschap was de allergezegendste Maria, want ofschoon zij alleen de volheid van de hoogste zegeningen die mogelijk was om aan een gewoon schepsel mee te delen door de Almachtige ontvangen had, vergat zij daar niets van noch hield zij ooit op ze te onderkennen door met al haar krachten van gewoon schepsel daarvoor dankbaar te zijn. Geen van de giften betreffende de natuur of de genade ontsnapte aan haar aandacht. Zij componeerde speciale hymnen van lof en dankbetuiging en voerde bewonderenswaardige oefeningen in om al deze gaven in het bijzonder te gedenken. Met het 0og hierop had zij de dagen van het gehele jaar aangewezen en speciale uren van elke dag waarin zij de herinnering aan deze genaden wenste te vernieuwen en dank daarvoor te betuigen. Maar onder al deze observanties en zorgen vergat zij de leiding van de Kerk niet, noch de instructie van de apostelen en discipelen, de raad en de adviezen die ze aan een zeer groot aantal personen gaf die haar bezochten, want zij stond open voor iedereen die kwam, noch faalde zij ooit in het verlenen van bijstand aan één of andere gelovige.

627. Wanneer dus blijkt hoezeer God geneigd is nieuwe zegeningen te schenken als antwoord op dankbaarheid, hoe zou het menselijk verstand dan ooit begrijpen in welke mate zijn grootmoedgheid in actie kwam door de dankbaarheid, getoond door zijn allervoorzichtigste moeder voor zijn vele, verheven zegeningen die Hem werden teruggegeven met de volheid van nederige liefde en lof, die elk daarvan toekwam? Wij, andere kinderen van Adam, zijn in vergelijking met haar traag, ondankbaar en zo harteloos, dat het beetje wat wij doen (indien we al wat doen), niet de moeite van het aanzien waard is, maar de grote dingen die de getrouwe en dankbare koningin volbracht, schenen haar gering toe en zelfs als zij alles deed wat in haar vermogen lag (boek 7 par. 308), beschouwde zij dit als nalatigheid en tekortschieten in ijver. In een ander hoofdstuk heb ik gezegd, dat de activiteit van de allergezegendste Maria op de activiteit van God leek, die één zuivere handeling is, werkzaam door zijn Wezen, dat niet kan ophouden met zijn eindeloze activiteit. De grote koningin was in zekere zin op onuitsprekelijke wijze deelgenoot geworden aan deze kwaliteit en volmaaktheid, zodat zij, in zichzelf één blijvende en onvermoeibare handeling scheen. Als de genade ongeduldig is wanneer ze rust aantreft in anderen, dan moeten wij niet verbaasd zijn, indien Maria in wie de genade in volheid aanwezig was en overeenkomstig onze wijze van denken, geen grenzen kende, op zulk een verheven wijze deelnam aan God en zijn activiteit.

628. Ik kan dit mysterie niet beter belichten en toelichten dan door te wijzen op de bewondering die dit veroorzaakte in de engelen, die daar getuige van waren. Vele malen kwam het voor dat in hun bewondering over wat zij zagen in hun koningin en vrouwe, zij tot haar of tot elkaar zeiden:  “Krachtig, groot en bewonderenswaardig is God in dit schepsel, ja, meer nog dan in al zijn werken. Haar menselijke natuur rijst hemelhoog boven de onze uit. Eeuwig zij uw Schepper, o Maria, gezegend en verheven; gij zijt het sieraad en de schoonheid van heel het menselijk geslacht. Gij roept heilige uitroepen op uit alle engelen en zijt de bewondering van alle inwoners van de hemel. Gij zijt het wonder van Gods almacht en van de kracht van zijn rechterhand, het toppunt van het mensgeworden Woord, de juiste kopie van zijn volmaaktheden, de reproductie van al zijn daden, waarbij gij u geheel één maakt met de Ene die gij vorm gegeven hebt in uw schoot. Gij zijt een waardige lerares van de strijdende Kerk, de bijzondere glorie van de triomferende Kerk, de eer van ons volk, de herstelster van uw eigen volk. Laat alle generaties uw deugd en grootte kennen en laten alle generaties u prijzen en zegenen. Amen”.

629. Met deze hemelse prinsen vierde de allergezegendste Maria de herinnering aan Gods zegeningen en gaven. Zij nodigde hen uit haar dankbetuigingen te ondersteunen, niet slechts wegens haar brandend en vurige liefde, die door de onstilbare dorst, veroorzaakt door het vuur van haar naastenliefde een dergelijke teruggave gerechtvaardigd achtte. (par614, 617), maar ook vanwege haar diepe nederigheid die haar noodzaakte haar verplichtingen zwaarder te beoordelen dan die van anderen. Daarom vroeg zij de gehele schepping haar te helpen om haar schuld te betalen, ofschoon er geen was die dit zo waardig zou kunnen doen als zij. Vervuld van deze wijsheid trok zij het hof van de verheven Koning naar haar bidvertrek op aarde en veranderde zij de wereld in een nieuwe hemel.

630. Om de verjaardag van haar presentatie in de tempel waardig te vieren begon zij reeds op de vooravond met oefeningen dan dank, zoals dit beschreven werd bij het feest van haar onbevlekte ontvangenis en geboorte en zij bracht ook de nacht in gebed door. Zij erkende de weldaad, reeds op jeugdige leeftijd geroepen te zijn naar het huis van de Heer en dankte voor de vele gunsten die zij daar ontvangen had. Maar het meest belangrijke punt van haar viering was, dat de grote meesteresse van alle deugd, vol goddelijke wijsheid, alle onderricht, elke lering van de priester en haar lerares van dat vroege tijdstip af herinnerde. Met dezelfde liefhebbende zorg bewaarde zij in haar geheugen de lessen van haar heilige ouders, Joachim en Anna en die van de apostelen. Zij bracht ze voor haar geest en bracht ze in praktijk met groter volmaaktheid naarmate haar jaren toenamen. Ofschoon het onderricht van haar heilige Zoon ruim voldoende was voor al haar activiteiten, herinnerde zij zich toch alle lessen die zij van anderen ontvangen had. Zij stond zichzelf geen verslapping toe in de praktijk van de nederigheid en gehoorzaamheid, noch verwaarloosde zij het kleinste aspect daarvan of stond toe dat één of meerdere van de vernuftige geheimen van deze deugden niet werden nagleefd en ijdel bleven. O, hoe hoog schatte zij de woorden van de wijze!

-Vertrouw niet op uw eigen voorzichtigheid, stel uw eigen inzicht niet boven dat van Jahweh (Spr    3,5-7)

-Veracht de verhalen van de ouden niet en leef steeds in overeenstemming met hun uitspraken (Sir  8,9).

-Wees niet wijs in uw eigen oog, daal tot de eenvoudigen af (Rom 12,16).

631. Terwijl zij dit feest vierde voelde de grote vrouwe een natuurlijk heimwee naar de rustige teruggetrokkenheid van de tempel uit haar jeugd, niettegenstaande zij de Heer zo prompt gehoorzaamd had door deze te verzaken en door zich te voegen naar de verheven doeleinden waartoe Hij haar uitverkoren had. Hij beantwoordde haar verzaking door enige bijzondere gunsten op dit feest. Op deze dag daalde de Heer uit de Hemel  neer in grote pracht in gezelschap van de engelen, zoals bij andere gelegenheden. Hij richtte zich tot zijn allergezegendste moeder in haar bidvertrek en sprak: “Mijn moeder en duive, kom tot Mij, uw God en uw Zoon. Het is mijn wens voor u een tempel en een woonplaats te maken die veiliger en goddelijker is, een verblijf in mijn eigen Wezen: Kom, mijn meestgeliefde, naar uw wettelijke woning”.  Op deze allerlieflijkste woorden richtten de serafijnen hun koningin van de grond, waarop zij  -zoals steeds- lag uitgestrekt bij zijn bezoeken totdat Hij haar liet opstaan en plaatsten haar onder hemelse muziek aan de rechterhand van de Heer. Zij ondervond en voelde zichzelf onmiddellijk ondergedompeld in de Godheid als een tempel met zijn glorie en gebaad, omgeven en ingesloten als een vis in het water, waardoor zij door deze vereniging en aanraking met de Godheid nieuwe en onuitsprekelijke uitwerkingen ondervond. Want zij bereikte daarbij een bezit van de Godheid, -dat ik niet beschrijven kan- dat de hemelse moeder naast het aanschouwen van Gods aangezicht grote vreugde en welbehagen verschafte.

632. Deze grote gunst noemde de voorzichtige moeder: “Mijn verheven schuilplaats en woning” en het feest zelf noemde zij: “Het feest van Gods Wezen”; zij componeerde wonderschone liederen om de betekenis  daarvan te onderstrepen en dank te betuigen. Aan het eind van deze dag dankte zij de Almachtige voor het scheppen van de oude patriarchen en profeten en zij sloot vanaf Adam allen in die tot haar natuurlijke afstamming behoorden. Zij memoreerde dankbaar alle genadegaven en gunsten, aan hen door de goddelijke macht geschonken en voor alle profetieën alsmede alles wat over hen gezegd wordt in de heilige Schrift. Daarna richtte zij zich tot haar ouders Joachim en Anna en dankte hen voor haar jeugdige opdracht aan God in te tempel. Tevens vroeg zij hen, omdat ze nu het zalig schouwen genoten in het hemels Jeruzalem, God te danken in haar plaats en  Hem te vragen haar te onderrichten op de wijze waarop zij dankbaar moest zijn en geleid te worden bij al haar activiteiten. Boven alles moesten zij de Heer danken voor haar vrijstelling van de erfzonde en voor het feit dat Hij haar gekozen had tot zijn moeder. Deze twee genaden beschouwde zij steeds als niet te scheiden.

633. De feestdagen van de heilige Joachim en de heilige Anna vierde zij met ongeveer dezelfde ceremoniën als haar presentatie. Beide heiligen daalden met de Heer af naar haar bidvertrek, omstuwd door engelen. Met deze loofde zij God en dankte Hem voor deze heilige en Hem zo gehoorzame ouders en ook voor de eeuwige glorie die nu hun deel was. Ter erkenning van al deze werken van de Heer componeerde zij nieuwe liederen met de engelen, die zij samen op lieflijke en harmonieuze muziek zongen. Daarenboven vond nog een wonder plaats op deze feestdagen van haar ouders; de engelen van de koningin en anderen die van boven gekomen waren, splitsten zich in koren. Enigen verklaarden de koningin volmaaktheden van de Godheid, anderen die van het mensgeworden Woord. Deze samenspraak verschafte haar onvergelijkelijke vreugde en een nieuwe prikkel voor haar liefhebbende en ontvlamde inborst. De heilige Joachim en Anna deelden in deze vreugden. Voordat ze teruggingen naar de hemel vroeg de grote vrouwe hun zegen en bleef op de aarde uitgespreid liggen, dankbaar voor de gunsten die zij ontvangen had.

634. Op het feest van haar allerzuiverste en heilige bruidegom Jozef vierde zij haar verloving, waardoor de Heer haar een allertrouwste metgezel gegeven had tot versluiering van de mysteriën van de menswording van het Woord en tot uitvoering met zulk een grote wijsheid van de geheime werken van de verlossing. Aangezien al deze zaken en eeuwige raadsbesluiten van de Allerhoogste waren opgetekend in het zuivere hart van Maria en zij ze daar in waardige meditatie hield, herdacht zij ze met onuitsprekelijke vreugde en dankzegging. Op dit feest kwam sint Jozef in de gloriepracht, omstuwd door duizenden engelen, om het feest met vrolijke muziek op te luisteren en nieuwe hymnen en psalmen te zingen die de hemelse moeder componeerde uit dank voor de door haar en haar bruidegom uit de handen van de Heer ontvangen weldaden.

635. Na vele uren met deze viering te hebben doorgebracht verwijlde zij de rest van die dag met haar bruidegom, sprekende over de volmaaktheden en de eigenschappen van God, want bij afwezigheid van haar Heer verheugde niets de liefhebbende moeder meer dan dit soort gesprekken en samenspraken. Bij het afscheidnemen van haar heilige bruidegom smeekte zij hem te bidden voor haar in de tegenwoordigheid van de Godheid en Hem in haar naam te prijzen. Zij beval tevens de noden van de heilige Kerk en de apostelen in zijn gebeden aan. Na zijn zegen gevraagd te hebben ging zij door met haar daden van nederigheid en dankbaarheid, zoals zij dit gewoon was, terwijl de glorierijke sint Jozef naar de hemel terugkeerde. Maar ik moet hier twee dingen opmerken: ten eerste, dat op deze feesten, terwijl haar Zoon op aarde leefde en daarbij aanwezig was, Hij zichzelf vertoonde zoals Hij op de berg Tabor van gedaante veranderd was. Deze gunst toonde Hij haar vele malen en meestal bij deze gelegenheden, want  daardoor vergoedde Hij haar iets voor haar devotie en nederigheid en vernieuwde de goddelijke uitwerkingen die op deze wonderen volgden. Ten tweede, dat om deze genaden en zegeningen te vieren de grote koningin, naast wat reeds gezegd is, andere vieringen die haar attentie waardig waren, daaraan toevoegde. Namelijk, op de dagen waarover gesproken werd en op andere waarover ik nog zal spreken, gaf zij voedsel aan vele armen. Zij maakte zelf dit eten gereed, bediende hen met eigen handen, liggend op haar knieën. Tot dit doel vroeg zij de evangelist de allerarmsten en verlatenen op te sporen, hetgeen geheel volgens haar ouders geschiedde. Verder maakte zij kostbaarder voedsel klaar voor de armen en zieken in de verpleeghuizen, die zij niet rond zich kon verzamelen en later ging zij persoonlijk naar hen toe om ze te genezen door haar tegenwoordigheid. Dit was de wijze waarop de allergezegendste Maria de feestdagen doorbracht en waarop zij de gelovigen leerde haar na te volgen, waarbij zij hen toonde hoe ze voor alles dankbaar moesten zijn, offers moesten brengen en goede werken moesten doen.

Instructie die de koningin van de engelen de allergezegendste Maria, mij gaf.

636. “Mijn dochter, de zonde van ondankbaarheid is één van de meest afschuwelijke zonden die door de mensen tegen God bedreven worden. De mensen maken zichzelf in de ogen van God en zijn heiligen alleronwaardigst en afzichtelijk door deze zonden. Want zowel God als de heiligen hebben een soort afschuw van dit lage mensengedrag. Toch is er, ondanks zijn kwaadaardige uitwerking, geen zonde die veelvuldiger voorkomt en gedachtelozer bedreven wordt door de mensen, geen uitgezonderd, dan juist deze grove fout. Het is waar dat God van zijn Kerk een zekere vergelding eist om de groter wordende schuld door het ondankbare vergeten van zijn weldaden door haar kinderen en het gehele mensdom te verminderen. Want in erkenning van zijn weldaden offert de Kerk zich bepaalde gebeden en lofzangen op die in haar zijn vastgelegd. Maar aangezien de gunsten en genaden van zijn waakzame voorzienigheid niet slechts ten goede komen aan de gelovigen maar ook elke andere sterveling ten voordeel strekken, kan de schuld van dankbaarheid niet door deze algemene dankbetuiging van de Kerk gedelgd worden en dient iedereen voor zichzelf te danken voor wat hij verschuldigd is aan de goddelijke vrijgevigheid.

637. Hoe velen zijn er onder de stervelingen die gedurende hun gehele levensloop geen enkele ernstige dankbetuiging geuit hebben voor de gave van het leven, voor het levensonderhoud, de gezondheid, voor het genoten voedsel, de verkregen ambten, voor hun bezittingen en alle andere tijdelijke en natuurlijke goederen!  Er zijn anderen die, indien ze al dank zeggen voor deze weldaden, dit doen, niet omdat ze God, de Gever, waarachtig liefhebben, maar omdat zij zichzelf liefhebben en hun vreugde hebben aan deze tijdelijke en aardse weldaden en hun bezit daarvan. Dit soort ijdel bedrog komt op twee wijzen aan de dag: ten eerste hierin, dat de mensen bij het najagen van deze aardse en tijdelijke goederen vol ondankbaarheid zijn, haastig en niet op hun gemak en zij nauwelijks kunnen denken aan, vragen om of verlangen naar andere meer geestelijke zaken, omdat ze geheel opgaan in datgene wat zichtbaar is en niet bestendig blijft. Ofschoon meermalen het verdwijnen van gezondheid, het teloorgaan van een ambt, het verlies van eigendommen en andere dingen een zegen van God is die hem verhindert een blinde en ongeregelde hartstocht voor dit soort dingen te hebben, denken zij dat dit een ongeluk is, een soort belediging. Zij geven hun hart op deze momenten gelegenheid om over te hellen naar zelfvernietiging door zich te vermeien in wat eindig en vergankelijk is.

638. Ten tweede toont zich dit bedrog door de miskenning van geestelijke weldaden door het blinde najagen van wat voorbijgaand is, zodat de mens noch erkent wat er na dit leven moet komen. Deze zonde onder de kinderen van de Kerk is laag en verschrikkelijk omdat zonder enige verplichting van de kant van God en zonder enige verdienste van henzelf de goddelijke lankmoedigheid hen tracht te leiden op het veilige pad van het eeuwige leven, waarbij de verdiensten van de passie en de dood van mijn goddelijke Zoon op hen worden toegepast. Iedereen die nu in een staat van heiligheid in de Kerk verkeert, zou hebben kunnen geboren worden in andere tijden en eeuwen, voordat God in de wereld kwam; hij zou zelfs onder heidenen kunnen geboren worden, onder afgodendienaars, ketters of andere ongelovigen, waar zijn eeuwige verdoemenis moeilijk te vermijden zou zijn. Zonder hun verdienste riep God deze mensen tot zijn heilig geloof, gaf hen de kennis van de eeuwige waarheden, rechtvaardigde hen in het doopsel, schonk hen de sacramenten, de priesters, de leer en de verlichting van het eeuwige leven. Hij plaatste hen op het veilige pad, schonk hen zijn bijstand, vergaf hen hun zonden, richtte hen op na hun vallen, wachtte op hun berouw, nodigde hen uit door zijn lankmoedigheid en beloonde hen met vrijgevige hand. Hij liet hen verdedigen door zijn heilige engelen, gaf zichzelf als een belofte en als voedsel van het eeuwig leven en op deze wijze stapelde Hij zoveel zegeningen op hen dat zij zonder maat of aantal  zijn en zo, dat er geen dag of uur voorbijgaat die hun schuld niet vergroot.

639. Zeg mij dan, dochter, wat voor dank er tegenover deze royale en vaderlijke vriendelijkheid moet staan? En hoeveel mensen verdienen deze goedheid? De grootste zegen van alles is nog dat tot straf voor deze ondankbaarheid de poorten van zijn genade niet gesloten werden en de fonteinen van zijn goedheid niet opgedroogd zijn, want deze is oneindig. De wortel van deze verschrikkelijke ondankbaarheid in de mensen is het grenzenloze verlangen en de hebzucht naar tijdelijke, vergankelijke en voorbijgaande goederen. Uit deze onstilbare dorst groeit hun ondankbaarheid, want als zij zozeer hunkeren naar tijdelijke goederen, dan onderschatten ze de waarde van wat zij ontvangen en zijn noch voor de tijdelijke noch voor de geestelijke goederen dankbaar, waardoor ze zowel voor de ene als de andere soort zeer ondankbaar zijn. Daarenboven maken zij zich nog schuldig aan een grotere dwaasheid door God zaken te vragen die zij niet nodig hebben die niet goed voor hen zijn en hun eeuwige verdoemenis met zich zouden brengen. Onder mensen wordt het als laag beschouwd een gunst te vragen aan iemand die men beledigd heeft en nog gemener een gunst te vragen met het doel een nog grotere wandaad te plegen. Wat moeten we dan zeggen van een laag, aards wezen, een vijand van God, wanneer hij zijn Schepper om leven, eer, bezittingen en andere dingen vraagt, waarvoor hij nooit dankt en deze niet anders gebruikt dan tot belediging van de goddelijke Gever? Indien boven dit alles, deze mensen God nooit danken voor: het feit dat Hij hen geschapen heeft, verlost heeft, hen geroepen heeft, hen geduldig verdragen heeft en hen gerechtvaardigd heeft, voor hen dezelfde glorie bereid heeft die Hijzelf geniet en indien in afwachting van deze glorie, zij zelfs niet vragen om de genade van berouw over hun zonden, dan tonen ze toch zeker niets dan roekeloosheid en trots.

640. Ik verzeker u, mijn liefste, dat deze zoveel voorkomende ondankbaarheid jegens God één van de duidelijkste tekenen is van verwerping in hen die schuldig zijn aan zorgeloosheid en vergeetachtigheid. Het is ook een slecht teken wanneer de rechtvaardige Rechter tijdelijke goederen schenkt aan degenen die voorbijzien aan de zegeningen van de verlossing en de rechtvaardiging, want zij allen vragen slechts de instrumenten van hun dood, terwijl de middelen voor hun eeuwig heil vergeten en het toegeven aan hun vragen is geen zegen maar een kastijding van hun blindheid.

641. Ik openbaar u al deze zonden opdat gij ze kunt vrezen en hun oorzaken kunt vermijden. Maar bedenk dat uw dankbaarheid niet van de gewone soort moet zijn, want de zegeningen die gij ontvangen hebt, gaan ver uit boven uw kennis en de kracht van waardering. Laat uzelf niet misleiden tot het afzien van een juiste waardering van genaden op grond van nederigheid. Gij kent de pogingen van de duivel om u de werken en de genaden van de Heer te doen vergeten door uw aandacht toe te spitsen op uw fouten en ellende en hij wil u wijsmaken dat de zegeningen van de waarheid, die gij ontvangen hebt niet verenigbaar zijn met uw tekortkomingen. Begin in ernst dit bedrog te verwerpen en weet dat hoe meer u de goederen die gij ontvangt van zijn goedheid aan Hem alleen toeschrijft, des te meer gij uzelf vernedert en verdeemoedigt en dat hoe meer gij Hem verschuldigd bent, des te geringer uw mogelijkheden zijn om uw schuld terug te betalen, want gij kunt zelfs niet voor de kleinste genade betalen. Overtuigd te zijn van deze waarheid is geen trots, maar voorzichtigheid en niet deze schuld erkennen is geen nederigheid maar verwerpelijke dwaasheid, want gij kunt niet dankbaar zijn voor wat gij niet weet noch kan uw liefde tot daden komen zonder ontvlamd te zijn door de zegen en de genade van God. Gij zijt bevreesd de genade en de vriendschap van God te verliezen en indien gij ze niet vruchtbaar doet zijn, is daar alle reden toe, want Hij heeft voor u zoveel gedaan dat dit voldoende zou zijn voor de redding van vele zielen. Maar het hebben van een voorzichtige vrees voor het verlies van zijn genade is iets heel anders dan deze genade in twijfel te trekken met het doel erkenning ervan te ontlopen. En dit is de soort twijfel waarin de vijand u hoopt te storten, terwijl hij tracht een koppige ongelovigheid in de plaats te stellen van een heilige vreze Gods voor deze te bedekken met de mantel van goede intenties en nederigheid. Uw vrees moet zich inspannen om te waken over uw schat en te streven naar mijn navolging met de zuiverheid van een engel en in praktijk alles lessen die ik u, juist voor dit doel, in deze geschiedenis geef”.

Tags: ,


<span>%d</span> bloggers liken dit: