DE LAATSTE JAREN VAN SINT JOZEF EN ZIJN STERVEN; is waar gebeurd verhaal!

Uit het boek “De mystieke stad Gods”; visioenen aan Maria van Agreda, abt. Deel V. €12,– Informatie e-mail L.Buyens@tiscali.nl

153. Een veel voorkomende fout, welke allen maken, die tot het Licht en de belijdenis van het heilig geloof in de school van Christus, onze Heer, geroepen zijn, is, dat wij Hem teveel als onze Verlosser beschouwen en niet voldoende zien als onze Leraar in ons lijden (Lc 24,26). Wij willen allen de vrucht van de verlossing oogsten en de poorten van de genade en glorie binnengaan, maar wij volgen Hem niet met gelijke élan na op de weg van het kruis, waardoor Hij de eeuwige glorie binnenging en waartoe Hij ons uitnodigt. Ofschoon wij als katholieken niet in dezelfde dwaze dwalingen vervallen als de ketters, -want wij weten en belijden, dat er zonder inspanning en arbeid geen beloning of bekroning kan bestaan en dat het een onvergeeflijke godslastering is zich de verlossing van Christus toe te eigenen om daardoor zonder berouw en zonder maat te kunnen zondigen- komt het toch voor, dat in de praktijk van de werken, welke door het geloof worden opgelegd, enige kinderen van de Kerk slechts weinig verschillen van de kinderen van de duisternis, want zij beschouwen moeilijke en pijnlijke werken als niet noodzakelijk voor hen, die Christus volgen noch voor deelhebbing aan zijn glorie.

154. Laten wij bij onze handelingen deze dwaling verwerpen en laten wij begrijpen, dat het lijden niet uitsluitend bestemd was voor Christus, onze Heer, maar ook voor ons. Latene wij inzien dat, toen Hij zijn lijden onderging en stierf als Verlosser van de wereld Hij ook leed als onze Leraar, ons uitnodigend om Hem, als zijn vrienden, te volgen op de weg van zijn kruis, zo zelfs dat zijn meestt nabije vrienden het grootste deel in het lijden ontvangen en geen de hemel waardig bevonden zal worden zonder de prijs betaald te hebben van persoonlijke inspanning! In navolging van zijn allerheiligste moeder hebben de apostelen, de martelaren, belijders en maagden en allen die tot zijn volgelingen wilden behoren, hun kronen verdiend door lijden en zij die daar het meest op ingesteld waren, hebben overvloedige beloning en hoge glorie verkregen. Men zou kunnen tegenwerpen, dat onze Heer tegelijkertijd God en mens was en dat Hij door zijn uitblinkend voorbeeld slechts bedoelde bewonderd te worden, niet nagevolgd. Maar diit is slechts een onbeschaamd en gedurfd voorwendsel onzerzijds,  want Hij kan deze tegenwerping gemakkelijk ontzenuwen door te wijzen op het voorbeeld van zijn moeder, onze allerzuiverste en onschuldige koningin, op dat van haar gezegende echtgenoot en van zo vele mannen en vrouwen, zwak en vol gebreken zoals wijzelf, die veel minder schuld hadden dan wij, maar Hem toch gevolgd zijn op de weg van het kruis. De Heer leed niet slechts om onze bewondering af te dwingen, maar opdat wij zijn voorbeeld zouden volgen. En zijn God-zijn stond Hem daarbij niet in de weg, want Hij stond toe, dat lijden en verdrukking Hem naar evenredigheid van zijn onschuld en zondeloosheid teisterden.

155. Langs de koninklijke weg van het kruis leidde de Heer de echtgenoot van zijn gezegende moeder, sint Jozef, die Hij boven alle zonen der mensen beminde. Om zijn verdiensten en glorie te verhogen voordat de tijd waarin verdiensten konden worden vergaard tot afsluiting zou gekomen zijn, zond Hij hem in de laatste jaren van zijn leven bepaalde ziekten, koorts,hevige hoofdpijnen en een zeer pijnlijke reumatiek, welke hem zeer aangrepen en verzwakten. Bij het ondergaan van deze kwalen en gebreken voegde zich het lijden van andere oorsprong, lieflijker maar uiterst pijnlijk, namelijk het vuur van zijn vurige liefde, dat zo hevig was dat de vluchten en extases van zijn allerzuiverste ziel de beperkingen door zijn lichaam gesteld bij meerdere gelegenheden zouden doorbroken hebben, indien de Heer, aan Wien hij deze te danken had, men niet gesterkt en getroost had in zijn liefdessmart. De Heer stond hem toe in deze lieflijke extases te verwijlen tot aan zijn dood. Door de natuurlijke zwakte van zijn uitgeteerde lichaam werden zij de bron van onuitsprekelijke verdiensten voor de gelukkige heilige, niet slechts door het lijden, dat daarmee gepaard ging, maar in het bijzonder door de liefde, waaruit deze smarten voortkwamen.

156. Onze grote koningin, zijn echtgenote, was getuige van al deze mysteries en zoals ik reeds vertelde (boek 3 par. 368; boek 4 par. 381,394,404), kende zij de innerlijke werkingen van de ziel van sint Jozef. Zij was vervuld met grote vreugde, nu zij wist een echtgenoot te bezitten, die zo heilig was en zo bemind werd door de Heer. Zij aanschouwde en begreep de oprechtheid en de zuiverheid van zijn ziel; zijn brandende liefde; zijn verheven en hemelse gedachten; zijn geduld en berusting -gelijk aan die van een duif- in zijn smartelijk lijden en hevige pijnen. Zij wist, dat hij zich nimmer beklaagde noch over deze noch over andere beproevingen, noch ooit om hulp vroeg in zijn nood en beproeving, want hij droeg alles met onvergelijkelijke gelijkmoedigheid en zielengrootheid. Wanneer zijn allervoorzichtigste echtgenote al deze heldhaftige deugden van sint Jozef waarnam en overwoog, bezag ze hem met een dusdanige eerbied, dat geen mens in staat is deze te schatten. Zij zwoegde, onder ongelooflijke vreugde, voor zijn onderhoud en gemak. Zijn grootste vertroosting was het, wanneer zij zijn eten met haar eigen maagdelijkek handen bereidde en het hem toediende. Maar aangezien zijzelf haar diensten slechts heel gering achtte, vergeleken bij datgene wat haar echtgenoot eigenlijk nodig had, maakte zij bijwijlen uit liefde voor hem gebruik van haar macht als koningin en meesteresse van heel de schepping en beval zij, dat het voedsel, dat zij hem toediende bijzondere kracht en nieuw leven aan deze heilige en rechtvaardige man Gods zou mededelen.

157. Dit bevel  van de grote vrouwe, aan wie al het geschapene gehoorzaamde, werd opgevolgd; wanneer sint Jozeff de spijzen, welke deze zegenbede versterkt hadden, proefde en hun uitwerkingen speurde, zei hij tot de koningin: “Mijn vrouwe en echtgenote, welk hemels voedsel verkwikt mij, geeft mij nieuwe kracht, vervult mij met vreugde en mijn ziel en geest met nieuwe verrukkingen?” De koningin van de hemel bediende hem in knielende houding en ontdeed hem eveneens in die houding van zijn schoeisel, toen hij daartoe niet meer in staat was en veel te lijden had. Soms ondersteunde zij hem met haar armen. De nederige heilige trachtte de kracht op te brengen enige van deze hulpverleningen te voorkomen, maar hij kon ze toch niet alle voorkomen, want zijn echtgenote zag zijn zwakte, begreep zijn lijden en greep steeds op het moment in, waarop hij haar hulp het meeste nodig had. Bij zulke gelegenheden was de hmelse verpleegster steeds zeer snel en kwam zij op tijd om de juiste hulp te verstrekken. Zeer dikwijls troostte de moeder van alle wijsheid en alle deugden hem door haar lieflijke woorden. In de laatste drie jaar van zijn leven namen zijn kwalen zeer toe en verpleegde zij hem dag en nacht, terwijl haar enige andere bezigheid bestond uit de dienst en de verzorging, welke zij aan haar Zoon verschuldigd was. Jezus hielp haar bij tijden, waarin Hij niet met andere noodzakelijke werken bezig was, met de zorg voor haar echtgenoot. Er was nog nooit zoveel zorg aan welke zieke dan ook besteed en erzal ook nooit een andere zieke zijn, die zo goed verpleegd en getroost zou worden als sint Jozef. Het geluk en de waardigheid  van deze man Gods, sint Jozef, was wel zeer groot, want slechts hem kwam het toe haar tot zijn echtgenote te hebben, die de bruid was van de heilige Geest.

158. Maar de hemelse vrouwe stelde zich niet tevreden met deze bewijzen van haar toewijding aan sint Jozef, zij schakelde nog andere middelen in, welke haar ten dienste stonden, om tot verlichting van zijn lijden en zijn vertroosting te geraken. Vele malen vroeg zij de Heer uit haar vurige liefde haar, de pijnen, welke haar echtgenoot teisterden over te zenden en ze hem te ontnemen. Om dit gedaan te krijgen stelde de moeder van alle heiligheid het tegenover de Allerhoogste zo voor, alsof zij de grootste schuld droeg van alle op aarde geboren schepselen, omdat zij Hem nimmer op de juiste wijze geantwoord had op alles wat zij van Hem had ontvangen; zij was de minste, verdiende dus al hun lijden en zij offerde zichzelf op alle pijnen en wijzen van lijden te ondergaan. Zij schilderde de heiligheid van sint Jozef, zijn zuiverheid, onschuld en het welbehagen, dat de Heer schiep in dat hart, gevormd naar dat van zijn Zoon. Zij vroeg vele zegeningen voor hem en dankte Hem voor het scheppen van een man, die zijn gunsten zozeer waard was, zo vol was van rechtvaardigheid en heiligheid. Zij nodigde de heilige engelen uit God dank te Brengen voor sint Jozef en onder het overwegen van de glorie en de wijsheid van de Heer, zoals deze in zijn dienaar Jozef tot uiting kwamen, zong zij nieuwe lofliederen tot lof van de Allerhoogste. Want enerzijds zag zij het lijden en de pijnen van haar geliefde echtgenoot, welke haar medelijden en haar verdriet opwekten, maar anderzijds werdd zij zijn verdienste gewaar en zag zij de vreugde, welke de Heer aan deze man beleefde, alsmede hoe de heilige zijn God verheerlijkte door zijn geduld. De hemelse vrouwe beoefende verschillende deugden, waartoe de gelegenheid aanleiding gaf en van zulk hoog gehalte, dat zij de bewondering van de geesten van de engelen opwekte. Maar nog groter dient de bewondering te zijn van ons, domme mensen, wanneer wij zien hoe dit eenvoudige schepsel zoveel verschillende plichten vervulde en dat zij in haar beslommeringen, aan die van Marta gelijk, toch nimmer het schouwen onderbrak. Hierin volgde zij de geesten van de engelen na, die ons, dienend en helpend, toch nooit de Allerhoogste, al was het maar voor één moment, uit het oog verliezen (Mt 18,10). Maar Maria overtrof hen verre in oplettendheid jegens God, terwijl zij met lichamelijk werk bezig was, waarvoor deze geeten niet gebruikt zouden kunnen worden. Ofschoon zij een kind van Adam was, leefde zij als een hemelse geest, liet het meest verheven deel van haar wezen verwijlen in de verhevene oefeningene van haar goddelijke liefde en stelde haar lichamelijke vermogens geheel ten dienste van de werken van liefde jegens haar echtgenoot.

159. Wanneer de barmhartige koningin de pijnlijkheid en de zwaarte van het lijden van sint Jozef aanschouwde, werd zij bijwijlen tot deernis bewogen. Dan vroeg zij nederig toestemming aan haar allerheiligste Zoon om de natuurlijke oorzaken van dat lijden te mogen gelasten te verdwijnen en zodoende een einde te maken aan het lijden van deze rechtvaardige man Gods. Aangezien al het geschapene haar onmiddellijk gehoorzaamde, werden de pijnen direct minder en kon de heilige man gedurende een bepaalde tijd, soms voor een dag, soms wat langer uitrusten van zijn beproevingen, totdat zijn lasten wederom, in overeenstemming met de besluiten van de Allerhoogste en tot vermeerdering van zijn verdiensten kem kwamen belagen. Soms ook beval zij de engelen, als hun koningin (doch niet in de vorm van een bevel, maar in die van een verzoek), de heilige Jozef te vertroosten en hem te helpen, nu de toestand van zijn lichaam zo ernstig verzwakt was. Dan verschenen de engelen aan sint Jozef onder menselijkke gedaanten, zeer schoon uitgedost en zij begonnen hem te spreken over de Godheid en alle volmaaktheden daarvan. Dan zwollen hun stemmen aan in de schoonste harmonie en zongen zij hemelse muziek, hymen en lofliederen, waardoor zijn afnemende krachten weer ietes hersteld werden en de liefde van zijn ziel opnieuw ontvlamde. Tot vermeerdering van zijn vreugde deelden zij hem mee aan wie hij deze zegeningen en gunsten te danken had en zij spraken hem over de grote heiligheid van zijn maagdelijke echtgenote, haar uitzonderlijke liefde voor hem en de diensten, welke zij hem bewees en zij schilderden de pracht en uitgelezenheid van de grote meesteres van de wereld. Dit alles veroorzaakte een dusdanige uitwerking in de heilige Jozef en verhoogde zozeer zijn verdiensten voor God, dat geen tong dit zou kunnen uitdrukken, noch enig menselijk verstand dit in dit leven zou kunnen omvatten.

Onderrichting, mij door de koningin van de hemel, de allerheiligste Maria, gegeven.

162.  Reeds gedurende acht jaar droeg sint Jozef zijn kwalen en pijnen en zijn edele ziel had zich dag aan dag meer gezuiverd in de smeltkroes van lijden en goddelijke liefde. Naarmate de tijd verstreek, namen zijn lichaamskrachten af en naderde hij het niet te vermijden tijdstip, waarop de tol van de dood moet betaald worden door alle kinderen van Adam. De verzorging en attenties van zijn hemelse bruid, onze koningin, namen hand over hand toe; zij stonden hem bij en diende hem met ononderbroken nauwgezetheid. Toen haar, in haar verheven wijsheid, duidelijk werd dat dag en uur voor zijn vertrek van deze aarde vol beslommeringen nabij waren, ging de liefhebbende vrouwe naar haar gezegende Zoon en sprak Hem als volgt toe:

“Heer God, Allerhoogste, Zoon van de eeuwige Vader en Redder van de wereld, ik zie door het goddelijke licht, dat het uur, hetwelk Gij voor het heengaan van uw (Ps 116,5) dienaar Jozef hebt vastgesteld, nadert. Ik smeek U en beroep mij op de barmhartigheid, welke Gij immer getoond hebt en op uw grenzeloze goedheid, help hem in dat uur, sta hem bij met uw almachtige kracht. Laat zijn dood even voortreffelijk zijn in uw ogen, als de rechtvaardigheid van zijn leven U aangenaam was, opdat hij moge vertrekken in vrede en in de zekere hoop op de eeuwige beloning, welke hij zal ontvangen op de dag, dat U de poorten van de hemel voor alle rechtvaardigen zult openen. Gedenk, mijn Zoon, de nederigheid en liefde van uw dienaar, wees zijn uitzonderlijke verdiensten en zijn deugden indachtig, denk aan de trouw en de zorgzaamheid waarmee deze rechtvaardige man U en mij, uw nederige dienstmaagd, in het zweet zijns aanschijns onderhouden heeft”.

163. Onze verlosser antwoordde:

“Mijn moeder, uw bede klinkt mij aangenaam in de oren en de verdiensten van Jozef zijn aanvaardbaar in mijn ogen. Ik zal hem nu helpen en hem een plaats bereiden onder de prinsen van zijn volk, zo hoog, dat hij de bewondering van de engelen zal afdwingen en hen en alle mensen zal dwingen hem hogelijkst te prijzen (Ps 113,8). Voor geen der uit mensen geborenen zal ik zo zorgen als voor uw bruidegom”.

De grote vrouwe dankte haar liefste Zoon voor zijn belofte en gedurende de negen dagen en nachten voor de dood van sint Jozef genoot deze ononderbroken van het gezelschap en de zorgen van Maria of haar goddelijke Zoon. Op bevel van de Heer brachten de heilige engelen drie keer op elk van de negen dagen hemelse muziek ten gehore, waarbij zij hun lofzangen afwisselden met zegeningen voor de zieke. Daarenboven werd hun nederig, maar o zo kostbaar huizeke vervuld met de lieflijkste geuren, die niet slechts sint Jozef opbeurden, maar ook verlevendigend werkten op allen, die in de buurt van hun woning kwamen.

164. Eén dag voor zijn dood, terwijl hij geheel vervuld was van goddelijke liefde door alle zegeningen, welke hij ondervond, werd hij opgenomen in een extase, welke vierentwintig uur duurde. De Heer zelf bracht de kracht aan, nodig om dit tussenspel te verdragen. In deze extase zag hij duidelijk het goddelijk Wezen en daarin alles wat hij door het geloof had aanvaard: de onbegrijpelijke Drie-eenheid, het mysterie van de menswording en verlossing, de strijdende Kerk met al haar sacramenten en mysteries. De gezegende Drie-eenheid vaardigde hem af als boodschapper van de Heiland naar de patriarchen en profeten in het voorgeborchte en beval hem hen gereed te maken voor hun opstijging uit de schoot van Abraham naar de eeuwige rust en het eeuwige geluk. Dit alles zag de allerheiligste Maria weerkaatst in de ziel van haar goddelijke Zoon, tezamen met alle andere geheimenissen, zoals deze aan haar beminde echtgenoot werden bekendgemaakt. Zij dankte op de meest oprechte wijze haar Heer hiervoor.

165. Toen sint Jozef uit deze extase kwam, straalde zijn gelaat met grote pracht en zijn ziel was geheel herschapen door het visioen van het goddelijk Wezen. Hij vroeg zijn gezegende echtgenote hem haar zegen te geven, maar zij vroeg aan haar goddelijke Zoon dit in haar plaats te doen, wat Hij dadelijk deed. Toen viel de grote koningin van de nederigheid voor hem op haar knieën en vroeg sint Jozef haar te zegenen als haar echtgenoot en hoofd van het gezin. Niet dan door goddelijke aandrang daartoe bewogen vervulde de man Gods deze bede tot vertroosting van zijn allervoorzichtigste echtgenote. Zij kuste de hand, waarmee hij haar gezegend had en vroeg hem de rechtvaardigen in het voorgeborchte te groeten uit haar naam. De allernederigste Jozef sloot zijn leven af met een daad van zelfvernedering; hij vroeg vergiffenis aan zijn hemelse echtgenote voor alle tekortkomingen begaan in haar dienst en smeekte haar hem bij te staan in het uur van zijn dood. De heilige man dankte op de meest nederige wijze haar Zoon voor alle zegeningen in zijn leven ontvangen, in het bijzonder voor de hulp, welke hij genoten had tijdens zijn ziekte. De laatste woorden van sint Jozef tot zijn echtgenote waren: “Gezegend zijt gij onder alle vrouwen en uitverkoren boven alle schepselen. Mogen  engelen en mensen u prijzen; mogen alle geslachten u kennen en uw waardigheid prijzen en verheffen en mogen in u de naam van de Allerhoogste gekend, aanbeden en verheven worden tot in de eeuwen der eeuwen; moge Hij eeuwig geprezen worden voor het scheppen van u, zo welgevallig in zijn ogen en in de ogen van de engelen. Ik hoop u terug te zien in het hemelse vaderland”.

166. Toen wendde deze man Gods zich tot Christuss, onze Heer en hij wenste voor Hem neer te knielen. Maar de allerzoetste Jezus kwam naderbij, nam hem in zijn armen, waar sint  Jozef zijn hoofd op neer vlijde en sprak:

“Mijn hoogste Heer en God, Zoon van de eeuwige Vader, Schepper en Verlosser van de wereld, zegen uw dienaar, het werk uwer handen; vergeef, o allerbarmhartigste Koning, de fouten die ik  in uw dienst en in de omgang met U heb begaan. Ik verhef en verheerlijk U en dank U eeuwig en uit de grond van mijn hart, voor mijn uitverkiezing in uw onuitsprekelijke neerbuigendheid tot echtgenoot van uw ware moeder; moge uw grootheid en glorie mijn dankbetuiging tot in alle eeuwigheid uitmaken”.

De verlosser van de wereld gaf hem zijn zegen zeggende:

“Mijn vader, rust in vrede en in de genade van mijn eeuwige Vader en de Mijne. Ga naar de profeten en heiligen, die u verwachten in het voorgeborchte en breng hen het vreugdevolle nieuws van de nadering van hun verlossing”.

Op deze woorden van Jezus, nog steeds rustend in diens armen, gaf de allergelukkigste Jozef de geest en de Heer zelf sloot hem de ogen. Op hetzelfde moment zette de menigte van engelen, die hun Koning en koningin omgaf, lofgezangen in, met luide en welklinkende stemmen. Op bevel van de Heer brachten zij zijn allerheiligste ziel naar de plaats, waar de patriarchen en profeten bijeen waren. Daar werd hij onmiddellijk herkend door allen, gekleed als hij was in de grote pracht zijner onvergelijkelijke genaden, als de voedstervader en de intieme vriend van de Verlosser, de hoogste eerbied waardig. Juist zoals het mandaat en de wil van de Heer gewild hadden, bracht zijn komst onuitsprekelijke vreugde onder de ontelbare heiligen, door de aankondiging van hun naderende bevrijding.

167. Het is noodzakelijk, dat de lange ziekte en het langdurige lijden voorafgaande aan de dood van sint Jozef niet de enige reden was voor zijn heengaan, want zelfs met al zijn kwalen zou hij langer hebben kunnen leven, indien hij daar niet het vuur van zijn intense liefde aan had toegevoegd. Opdat zijn dood meer de triomf van zijn liefde dan de uitwerking van de erfzonde zou zijn, stelde de Heer de bijzondere en wonderdadige hulp, waardoor zijn natuurlijke krachten in staat waren weerstand te bieden aan de hevigheid van zijn liefde gedurende zijn leven, tijdelijk buiten werking. Zodra deze goddelijke hulp werd opgeheven, moest de natuur  het wel afleggen tegen zijn liefde, werden de banden en kettingen, waarmee zijn heilige ziel in haar stervelijk lichaam werd vastgehouden onmiddellijk gestaakt en vond de scheiding van ziel en lichaam, waaruit de dood bestaat, plaats. Liefde werd zodoende de wezenlijke reden van de dood van sint Jozef, zoals ik reeds hierboven zei. Dit was dan ook de grootste en glorierijkste zijner kwalen (par. 155), want daarin is de dood slechts een inslaping van het lichaam en het begin van het werkelijke leven.

168. Nadat haar echtgenoot gestorven was, maakte de grote vrouwe zijn lichaam gereed voor de begrafenis in overeenstemming met de Joodse gebruiken. Geen andere handen dan de hare en die van de heilige engelen, die haar in lichamelijke vorm bijstonden, raakten hem aan. Opdat aan de allergrootste zedigheid voldaan zou worden door de moedermaagd, kleedde God het lichaam van sint Jozef in een wonderbaarlijk Licht, dat alles behalve zijn gezicht verborg en zo zag zijn allerzuiverste bruid, ofschoon zij hem kleedde voor de begrafenis, slechts zijn gelaat. Heerlijke geuren omgaven zijn lichaam en het bleef zo schoon en zo levensecht, dat de buren het graag kwamen aanschouwen en vol bewondering waren. Vergezeld van de Verlosser van de wereld, zijn allergezegendste moeder en een grote schare engelen en begeleid door hun vrienden en vele anderen, werd het heilig lichaam van de glorierijke sint Jozef naar de algemene begraafplaats gedragen. Maar bij al deze zaken en onder al deze omstandigheden behield de allervoorzichtigste vrouwe haar kalmte en ernst en haar gelaat vertoonde geen onvrouwelijke of ongeregelde opwinding, noch deed haar smart haar iets vergeten wat behoorde tot de diensten aan haar overleden echtgenoot of tot de dienst van haar goddelijke Zoon. In elk van haar bewegingen was het koninklijk en grootmoedig gedrag van de koningin van het menselijk geslacht te onderkennen. Zij herhaalde haar dankbare erkenning van de grote gunsten aan haar echtgenoot bewezen door de Zoon van God en aan zijn voeten neergeknield sprak zij Hem met hernieuwde deemoed als volgt toe:  “Heer en Meester van mijn gehele wezen, mijn ware Zoon, de heiligheid van mijn echtgenoot Jozef heeft U wellicht zo lang in mijn gezelschap doen verblijven, maar ofschoon ik daartoe onwaardig ben, smeek ik U, indachtig aan uw goedheid, mij nu niet te verlaten; neem mij wederom aan als uw dienstmaagd en aanschouw de nederige verlangens en wensen van mijn hart”.

De redder van de wereld nam dit nieuwe aanbod van zijn allerheiligste moeder aan en Hij beloofde haar niet weg te gaan tot het tijdstip, waarop de gehoorzaamheid aan zijn eeuwige Vader Hem zou verplichten zijn openbaar leven van prediking te gaan beginnen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: