JEZUS GEDAANTEVERANDERING OP DE BERG TABOR

Uit het boek “De mystieke stad Gods” deel 6, opgetekend door Maria van Agreda o.i.c. Te verkrijgen bij Mw. Keulemans, Timorstr. 16 6524KC Nijmegen. 024-3280067. Per deel €12,–

DSCI0613 (2)

Christus verandert van gedaante op de berg Tabor in aanwezigheid van zijn allerheiligste moeder; zij gaan van Galilea naar Jeruzalem als inleiding op de passie; de Heer wordt door Magdalena te Betanië gezalfd.

388. Reeds meer dan twee en een half jaar was verstreken met prediking en het verrichten van wonderen door onze Verlosser en Meester Jezus. Het tijdstip, door de eeuwige Wijsheid vastgesteld, waarop genoegdoening zou gegeven worden aan de goddelijke gerechtigheid en het menselijk ras door ‘Christus’ passie en dood zou verlost worden en Hij zou terugkeren naar zijn eeuwige Vader, kwam naderbij. Aangezien al zijn werken de hoogste wijsheid ademden, bestemd voor onze onderrichting en redding, besloot de Heer enige van zijn apostelen voor te bereiden op het schandaal, dat zijn passie zou veroorzaken en hen te sterken door hen zichzelf te laten zien in zijn verheerlijkte Lichaam, dat zo spoedig misvormd zou worden op het kruis. Op deze wijze zouden ze gerustgesteld worden door de herinnering aan de glorieuze gedaanteverandering, voordat zij ditzelfde lichaam, verbrijzeld door het lijden, zouden aanschouwen. Dit had hij kort tevoren, onder aanwezigheid van allen, maar niet aan allen doch slechts aan enige van zijn discipelen, beloofd, zoals door Matteüs werd opgetekend (Mt 16,28). Voor zijn gedaanteverandering bestemde Hij een hoge berg in het centrum van Galilea, twee mijlen ten oosten van Nazareth, de berg Tabor geheten. Toen hij tot de hoogste top daarvan was genaderd met de drie apostelen Petrus en de twee gebroeders Jakobus en Johannes, veranderde Hij voor hun ogen van gedaante (Mt 17,1; Mc 9,1; Lc 9,28). De drie evangelisten delen ons mee, dat behoudens deze apostelen ook de twee profeten Mozes en Elias, die met Jezus over zijn passie spraken, aanwezig waren en dat, terwijl Hij van gedaante veranderd was, een stem van de hemel weerklonk, die in de naam van de eeuwige Vader zei: “Dit is mijn welbeminde Zoon, waarin Ik mijn welbehagen gesteld heb: luistert naar Hem”.

389. De evangelisten melden niet, dat de allerheiligste Maria bij de gedaanteverandering aanwezig was, noch zeggen zij, dat zij niet aanwezig was; dit hield geen verband met hun doelstelling, zij vonden het blijkbaar niet eerbaar te spreken over het verborgen wonder, dat haar mogelijk had gemaakt daar aanwezig te zijn. Teneinde deze gebeurtenis te kunnen beschrijven werd mij te verstaan gegeven, dat tezelfdertijd, waarop enige van de heilige engelen opdracht werd gegeven om Mozes en Elias uit hun verblijfplaatsen over te brengen, aan de andere engelen van haar eigen lijfwacht, bevolen werd de hemelse vrouwe naar de berg Tabor te brengen om de gedaanteverandering van haar goddelijke Zoon te aanschouwen, want zonder enige twijfel was zij daarbij tegenwoordig. Het was niet nodig om de allerheiligste moeder in haar geloof te bevestigen, want zij was onoverwinnelijk verankerd in geloof. Maar de Heer had vele plannen met deze gedaanteverwisseling en er waren bijzondere redenen, die Hem noopten deze grootse gebeurtenis niet zonder zijn allerheiligste moeder te voeren. Wat voor de apostelen een onverdiende gunst was, werd een plicht jegens de koningin en moeder, omdat zij zijn metgezellin en deelgenote was in de werken van de verlossing, zelfs tot aan de voet van het kruis. Het was goed haar te sterken door deze gunst met het oog op de kwellingen, die haar ziel zou moeten doorstaan. Daarenboven zou zij op aarde blijven als de lerares van de heilige Kerk; ook daarom was het nodig, dat zij één der ooggetuigen was van dit grote mysterie. Het was de kracht van haar goddelijke Zoon, die haar deze gebeurtenis deed meemaken, temeer zo, daar Hij de gewoonte had haar alle activiteiten van zijn goddelijke Ziel te tonen. De liefde van deze Zoon voor deze moeder zou Hem nooit toegestaan hebben deze gunst aan haar te onthouden, want steeds was Hij er op uit zijn tedere liefde voor haar te tonen en haar aanwezigheid bij dit gebeuren was zeker een teken van de hoogste achting voor haar uitgelezenheid en waardigheid. Mij werd dus duidelijk gemaakt, dat om deze en nog vele andere redenen, die niet noodzakelijk genoemd behoeven te worden, de heilige Maria aanwezig was bij de gedaanteverandering van haar goddelijke Zoon, onze Verlosser.

390. Gedurende deze transfiguratie zag de gezegende Maria niet slechts de in glorie veranderde mensheid van Christus, onze Heer, maar zij werd tevens begunstigd door een intuïtief en helder visioen van de Godheid zelf, want de Heer wilde haar op overvloediger en meer bijzondere wijze laten deelnemen aan deze gebeurtenis dan aan de apostelen beschoren was. Daarenboven was er een groot verschil in haar inzicht en dat van de apostelen wat betreft de glorie van het veranderde Lichaam, want de apostelen (Lc 9,32) waren niet slechts in slaap, toen Jezus zich bij het begin van zijn verandering terugtrok om te bidden, maar zij werden bevangen met een zo grote angst bij het horen van de stem uit de hemel, dat zij met hun aangezicht ter aarde gekeerd plat neervielen en zich niet eerder op konden richten dan nadat de |Heer zelf tot hen gesproken had en hen deed opstaan (Mt 17,6). De gezegende moeder daarentegen was van deze gebeurtenissen getuige en hoorde de stem aan, zonder overdreven opwinding, want behoudens het feit, dat zij deze glorierijke revelaties gewoon was, was zij goddelijk versterkt en verlicht om de Godheid te kunnen aanschouwen. Daardoor was zij in staat om het glorierijke lichaam helder voor zich te zien, zonder de vrees en de zwakheid te tonen, die de apostelen overmand hadden. De allergezegendste moeder had bij andere gelegenheden reeds het lichaam van haar goddelijke Zoon verheerlijkt gezien, zoals werd verhaald in eerdere delen van deze geschiedenis (par. 695 en 851) maar tijdens deze gebeurtenis zag zij Hem aan met groter inzicht en meer openstaande voor de wonderen in Hem verborgen. Daarom waren de uitwerkingen van dit visioen in haar dan ook zo groot, dat zij geheel hernieuwd en ontvlamd werd door deze uitwisseling met de Godheid. Gedurende haar gehele leven bleef haar de indruk, veroorzaakt door de aanschouwing der glorie van de mensheid van Christus, bij. De herinnering daaraan troostte haar in de afwezigheid van haar goddelijke Zoon, tevens wanneer zijn glorierijke aanwezigheid niet op andere wijze door haar gevoeld werd, zoals wij zullen zien in het derde gedeelte van deze geschiedenis. Maar toch voelde zij de mishandelingen van Christus in zijn lijden en dood ondergaan des te meer, wanneer zij terugdacht aan deze glorievolle verheerlijking van Christus.

391. Maar geen menselijk intellect is in staat om de uitwerking van dit glorierijke visioen van haar Zoon in haar allerheiligste ziel te beschrijven. Onder grote dankbaarheid en diep doordringend in alle geheimenissen begon zij alles, wat zij gehoord en gezien had, te overwegen; verheven lof voor de almachtige God kwam over haar lippen, toen zij ditzelfde lichaam, dat uit haar bloed gevormd was, dat zij gedragen had in haar schoot en gevoed aan haar borst, in stralende glorie voor haar ogen mocht zien en toen zij de genade mocht ontvangen met eigen oren de stem van de eeuwige Vader te horen, die haar Zoon als de Zijne erkende en Hem als Leraar stelde voor heel het menselijk geslacht. Met haar heilige engelen stelde zij nieuwe lofliederen tezamen om deze gebeurtenis te vieren, die zo vol was van feestelijke vreugde voor haar ziel en voor de allerheiligste mensheid van haar Zoon. Ik zal niet uitweiden over dit mysterie noch in bijzonderheden treden, waarin de gedaanteverandering van het lichaam van Jezus in wezen bestond. Het is voldoende, dat wij weten, dat zijn gelaat straalde als de zon en zijn kleed witter werd dan sneeuw (Mt 17,2). Deze uitwendige pracht was slechts de werking van de glorie van de Godheid, die immer verbonden was met zijn heerlijke Ziel. Bij zijn menswording werd deze glorie, die van nature inherent was aan zijn heilig lichaam, tijdelijk opgeschort gedurende zijn leven hier op aarde: nu echter werd zij duidelijk en verkreeg het Lichaam voor korte tijd dezelfde glorie van zijn heilige Ziel. Dit was de schittering, die voor alle aanwezigen zichtbaar werd. Onmiddellijk na dit miraculeus gebeuren bleef de goddelijke glorie weer uitsluitend aan de Ziel voorbehouden. Aangezien zijn Ziel, doorlopend in de verheerlijkte staat was, zou7 ook zijn lichaam doorlopend deel moeten hebben aan deze glorie. Ook daarom was deze kortstondige verheerlijking van zijn Lichaam een wonder.

392. Na de gedaanteverandering werd de gezegende moeder teruggebracht naar haar huis in Nazareth; haar goddelijke Zoon daalde van de berg af en ging rechtstreeks naar haar toe om voor het laatst afscheid te nemen van de streek, waar Hij geboren was en op te gaan naar Jeruzalem. Daar zou Hij, op de eerstvolgende Paasdag, die voor Hem de laatste zou zijn op deze aarde zijn dood ingaan. Na slechts enige dagen in Nazareth verbleven te hebben vertrok Hij met zijn moeder, zijn discipelen en apostelen en enige van de heilige vrouwen. Hij reisde door Galilea en Samaria, voordat Hij Judea en Jeruzalem betrad. De evangelist Lucas schrijft over deze reis, als hij zegt, dat Jezus zich richtte naar Jeruzalem (Lc 9,51), want Hij reisde naar Jeruzalem met een van vreugde stralend gelaat, vol verlangen zijn lijden te aanvaarden, om volgens zijn eigen vurig verlangen zichzelf op te offeren voor het menselijk geslacht.
DSCI0643 (2)
Hij zou nimmer terugkeren in Galilea, waar Hij zoveel wonderen verricht had. Hij wist dit bij zijn vertrek en Hij bracht daarom eer aan zijn eeuwige Vader, bedankte Hem met heel zijn heilige mensheid, omdat Hij daar in dat kleine huisje en in die omgeving zijn menselijke vorm en zijn bestaansvorm verkregen had, die Hij nu zou overgeven aan het lijden en de dood. Van de gebeden, bij deze gelegenheid door Christus, onze Heer, gestort, zal ik voor zover dat in mijn vermogen ligt, het volgende weergeven:

393. “Mijn eeuwige Vader, Mij buigende voor uw wil, haast ik mij nu om genoegdoening te gaan geven aan uw gerechtigheid. Ik ga mijn lijden in en ben bereid te sterven. Op deze wijze zal ik alle kinderen van Adam met U verzoenen; Ik zal hun schulden betalen en voor hen de poorten van de hemel, die voor hen gesloten waren, openen. Ik zal al degenen opzoeken, die zijn afgedwaald en verloren dreigen te gaan, opdat zij door de kracht van mijn liefde teruggebracht worden. Ik zal de leden van het huis van Jakob (Js 56,8) die verloren gingen, opsporen, de gevallenen oprichten, de armen verrijken, de dorstigen laven, de trotsen vernederen en de nederigen verheffen. Het is mijn wens de hel te overwinnen en de glorie der triomf over Lucifer te vermeerderen (1 Joh 3,8) en de zonden, die hij over de wereld heeft gezaaid, zullen het onderspit delven. Het is mijn wens de standaard van het kruis op te richten. Daaronder zal de deugd en allen die zich onder zijn bescherming stellen, zijn gevechten leveren. Mij hart moge vervuld worden van beledigingen en hoon, zo kostbaar in uw ogen. Ik wil Mijzelf vernederen, zelfs tot in de dood, tegenover mijn vijanden, opdat onze uitverkorenen vertroost mogen worden in hun bezoekingen en zij geëerd mogen worden door hoge beloningen, telkens wanneer zij zouden verkiezen zich op dezelfde wijze in lijden te vernederen en gelijksoortige vervolgingen zouden willen dragen.
-O geliefd kruis! Wanneer zult gij Mij in uw armen ontvangen?
-O zoete smaad en schande: wanneer zult gij mij leiden tot overwinning over de dood door het lijden van mijn geheel onschuldig vlees?
-Gij pijnen, beledigingen, oneer, martelingen, doornen, geweld en dood, Ik verwacht u, Ik zal u omarmen, laat mij u verwelkomen, want Ik ken uw genade.
-Indien de wereld u al verafschuwt, Ik verlang naar u.
-Indien de wereld in onwetendheid u veracht, Ik, die de waarheid en de wijsheid zelve ben, bemin en omhels u.
-Kom over Mij, want door u als mens te verwelkomen, verhef Ik u als God en sta Ik klaar om uw aanraking met de zonde uit te wissen en tevens allen, die u omhelzen, te zuiveren.
-Kom tot Mij, gij pijnen en stel Mij niet teleur; sla geen acht op mijn almacht, want Ik sta u toe uw gehele kracht op mijn menszijn uit te oefenen.
-Gij zult bij Mij geen verwerping of afschuw aantreffen, zoals bij de stervelingen het geval is.
-De bedrieglijke zinsbegoocheling van de kinderen van Adam, waardoor zij de armen en bezochten van deze wereld als ongelukkig zien, zal nu verdwijnen, want als zij hun ware God, hun Schepper, Meester en Vader verschrikkelijke beledigingen zien verdragen, geselingen zien verduren en de schandelijke kwellingen en oneer van het kruis zien ondergaan, dan zullen ze hun dwaling inzien en het als een eer gaan beschouwen hun gekruisigde God na te volgen”.

394. Dit zijn enige van de gevoelens van het hart van de Meester van het leven, onze Heiland, die mij getoond zijn. Het lijden van zijn dood op het kruis toont -duidelijker dan mijn woorden kunnen uitdrukken- hoe groot de liefde was, waarmee Hij dit najoeg en onderging. Niettegenstaande dit alles zijn onze harten bezwaard door de in ijdelheden verstrikte zonden (Ps 4,4). Ofschoon wij leven en waarheid voor onze ogen hebben, worden we toch meegesleept door onze trots en afgestoten door nederigheid, verlokt door alles wat ons prettig aandoet en zijn we vol afschuw jegens alles wat pijn doet. O betreurenswaardige dwaling:
-Zware lasten te verkiezen om een kleine moeite te voorkomen; onszelf geheel uit te putten om een klein ongemak te ontlopen; in dwaasheid eeuwige schande en verwarring te verkiezen boven een kwetsing van onze eer, of om toch maar vooral niet een uurtje ijdele en voorbijgaande eer te missen.
-Wie kan degenen, die menen hun verstand te kunnen gebruiken, kan zeggen, dat hij het goed met zichzelf voorheeft, als hij deze weg zou bewandelen?
-Geen dodelijke vijand kan hem groter kwaad doen dan hij zichzelf bereidt door dingen te doen, die God mishagen. Wij beschouwen degenen, die ons vlijen en aangenaam bezighouden, terwijl zij het verraad in hun harten verbergen, als vijanden en terecht noemen we hen, die toelaten om bedrogen te worden door onbetekenende genoegens en verrukkingen, dwaas.
-Als dit oordeel juist is: -en dit is juist- wat moeten wij dan wel zeggen van de oordeelvellingen door hen die de wereld zijn toegewijd?
-Wie heeft hen vergiftigd? Wie heeft hen van hun verstand beroofd?
-O hoe groot is het aantal der dwazen!

395. Alleen de allerheiligste Maria, als enige onder alle kinderen van Adam, richtte haar leven geheel overeenkomstig de wil en de leiding van haar Zoon in, zonder ook maar in het minst af te wijken van de nauwgezette navolging van zijn leven en de vervulling van zijn leer. Zij was dat allervoorzichtigste schepsel, vol van kennis en van wijsheid, die onze onkunde en dwaasheden kon goedmaken en voor ons eeuwige waarheid kon verdienen temidden van onze duisternissen. Dit geschiedde wederom bij de gebeurtenis waarover ik sprak, want de hemelse vrouwe, de spiegel van de ziel van haar Zoon, zag geheel zijn toewijding en liefde ageren in zijn innerlijke Wezen. Aangezien juist dit haar gids tot handelen was, ging zij evenzo tewerk en bad met Hem mee, waarbij zij de eeuwige Vader als volgt aansprak:
-“Allerhoogste God en Vader van alle barmhartigheid, ik belijd uw oneindig en onveranderlijk Wezen. Ik prijs en verhef U in alle eeuwigheid, want op deze plek hebt Gij U, na mij geschapen te hebben, verwaardigd de kracht uwer arm te verheerlijken door mij te verheffen tot de waardigheid van moeder van uw Enig-geborene en hebt Gij mij overvloedig overspoeld met uwe barmhartigheid van-alle-eeuwen, mij, uw nederige slavin.
-Ik prijs en loof en dank U, dat Gij en uw Enig-geborene uit-het-vlees, dat Hij van mij heeft aangenomen, mij in uw neerbuigende liefde drieëndertig jaren in zijn verrukkelijk gezelschap hebt doen verkeren, waarin U mij toestond zijn genaden, zijn onderricht en zijn leiding te genieten tot het verkrijgen van meer zielenlicht voor uw dienares.
-Vandaag verlaat ik mijn landstreek, mijn Heer en eeuwige Vader en ik volg met vreugde mijn Zoon en Meester om aanwezig te zijn bij het offer van zijn leven en van zijn menselijk bestaan, ten bate van het menselijke geslacht.
-Er is geen smart gelijk aan de mijne, wanneer ik het Lam, dat de zonden van de wereld wegneemt, zal zien overgeleverd aan de bloeddorstige wolven;
-wanneer ik Hem, die het levende beeld is van uw Wezen, zal zien lijden, zien geselen en sterven (Heb 1,3);
-Hem, die uit U is voortgekomen van alle eeuwigheid en gelijk is aan U door alle eeuwen heen;
-wanneer ik die Ene onderworpen zal zien aan oneer en dood op het kruis,
-die Ene, die ik het leven schonk in mijn schoot;
-wanneer ik de schoonheid van zijn gelaat verduisterd zal zien door vuil en wonden, dat gelaat, dat de vreugde van mijn ogen en de verrukking van alle engelen is.
-O, ware het toch mogelijk, dat ik de pijnen en het verdriet, dat Hem wacht, op mij kon nemen; dat ik de dood zou ondergaan, om Hem te kunnen redden
-Aanvaard, hemelse Vader, de offerande van mijn smartelijke liefde, die ik U in vereniging met Hem opdraag, opdat uw heilige wil en welbehagen vervuld zullen worden.
-O, hoe snel gaan de dagen en uren voorbij
-Hoe snel nadert de nacht van mijn bittere smart!
-Het zal een gelukkige dag zijn voor de kinderen van de mensen, maar ook een nacht vol bezoekingen voor mijn met smarten geladen hart, dat reeds zo spoedig zijn immer stralende Zon zal moeten verliezen.
-O, kinderen van Adam, zo diep gezonken in de zonden en zo onnadenkend wat betreft uw eigen lot!
-Ontwaakt eindelijk uit uw zware slaap en ziet hoe zwaar uw zonden wegen in de ruïne, die zij zeer binnenkort zullen aanrichten in uw God en Schepper!
-Ziet hun ijselijk effect in mijn dodelijk verdriet en in de bitterheid mijner Ziel!
-Ziet wat de schade is, die door de zonde wordt aangericht”.

396. Het is mij niet mogelijk op waardige wijze alle gedachten en aandoeningen van de meesteresse van de wereld ten tijde van dit vertrek uit Nazareth weer te geven, noch haar gebed en smeekbeden tot de eeuwige Vader, haar lieflijke en smartelijke gesprekken met haar goddelijke Zoon, of de grootte van haar smart en de weelde aan verdiensten, die daaruit voortkwamen. Want door het conflict tussen de liefde van een echte moeder, waardoor zij Heem natuurlijk wenste te beschermen tegen de vreselijke folteringen, die Hem wachtten en de onderwerpingen van haar wil aan die van Jezus en van de eeuwige Vader, werd haar hart met het zwaard van droefheid doorboord, dat reeds voorspeld was door Simeon (Lc 2,35). In haar bezoeking klaagde zij bij haar goddelijke Zoon in woorden, die getuigden van de grootst mogelijke voorzichtigheid en wijsheid, maar doorweven van smart over het feit, dat zij niet in staat was zijn lijden te voorkomen of, ten minste, met Hem te sterven. Deze smarten van de moeder van God overtroffen het lijden van alle martelaren, die reeds gestorven zijn en nog zullen sterven om Gods liefde, tot het einde der tijden. Dit waren de geestestoestand en de gevoelsoverwegingen van de Soevereinen der wereld, toen zij door Galilea -dat de Heiland tijdens zijn leven niet meer zou betreden- van Nazareth naar Jeruzalem trokken. Nu het einde van zijn zwoegen voor de redding der mensen naar het einde naderde, vermenigvuldigden zich zijn miraculeuze werken en -zoals de gewijde schrijvers van de evangeliën vertellen- werden zij bijzonder talrijk in de periode tussen zijn vertrek uit Galilea en zijn binnenkomst in Jeruzalem. Tot die dag, na het vieren van het Feest der Tabernakelen reisde en werkte de Heiland in Judea en wachtte Hij de vastgestelde tijd af, waarop Hij, in overeenstemming met zijn wil, zichzelf als offerande zou aanbieden.

397. Gedurende deze omzwervingen vergezelde zijn moeder Hem, behalve wanneer hun wegen zich scheidden om in onderscheiden plaatsen voor het heil van de zielen te zorgen. Bij zulke gelegenheden werd de heilige Johannes opgedragen haar te vergezellen, har alles te verschaffen wat nodig was. Vanaf die tijd ontving de heilige Johannes verheven voorlichting betreffende de grote mysteries en verborgen sacramenten van de allerzuiverste maagd en moeder. Onder de wonderen door deze allervoorzichtigste en machtige koningin in deze periode verricht waren daar de hoogverheven vluchten van haar naastenliefde, waarmee zij de rechtvaardiging van zielen verkreeg in haar gebed en smeekbeden. Want ook zij, juist als haar allerheiligste Zoon, werd nu steeds kwistiger met haar gezegende weldaden voor het menselijk geslacht. Zij bracht velen terug op het pad naar het eeuwige leven, zij genas zieken, bezocht de armen en geslagenen, degenen die ontberingen leden en invalide waren, stond de stervenden bij met inzet van zichzelf, in het bijzonder hen die het meest verlaten waren en de zwaarste pijnen te verduren hadden. Door zijn taak om voor de gezegende moeder te zorgen was de geliefde apostel getuige van al deze werken. De kracht van haar liefde nam duizendvoudig toe bij het vooruitzicht van haar goddelijke Zoon te moeten zien terugkeren naar zijn eeuwige Vader. De gezegende moeder verlangde zo sterk naar zijn aanwezigheid, dat zij zich meerdere malen in liefdesextases verloor, wanneer zij verplicht was zijn nabijheid enige tijd te moeten missen. De goddelijke Meester, die als God alles wist wat in haar hart omging, kwam van zijn kant haar gevoelens tegemoet. Hij sprak de woorden tot haar, die nu letterlijk in vervulling gingen: “Gij hebt mijn hart verwond, mijn zuster; mijn bruid, gij hebt mijn hart verwond met de glans uwer ogen”. want het was alsof Hij door zijn eigen liefde gewond en overmand werd. Ook Hij werd naar haar nabijheid getrokken. Naar wat mij te verstaan werd gegeven zou het voor Christus onze Heer, in zoverre Hij man was, niet goed mogelijk geweest zijn ooit de nabijheid van zijn moeder te verlaten, indien Hij zijn liefde voor een moeder, die Hem zozeer beminde, de vrije loop zou hebben gelaten. Daarom was het slechts natuurlijk, dat Hij zich zou haasten haar smart te verlichten en haar te troosten door zijn aanwezigheid en gesprekken. De schoonheid van de allerzuiverste ziel van zijn moeder verfriste Hem en verzoette al zijn zwoegen en al zijn harde werk. Hij zag haar als de uitverkoren en enige vrucht van al zijn inspanningen en haar aanwezigheid alleen was een compensatie voor al zijn lichamelijk lijden.

398. Onze heiland ging in Judea door met het verrichten van wonderen. Daar geschiedde ook de tenlevenwekking van Lazarus in Betanië, waarheen Hij door de twee gezusters, Martha en Maria, uitgenodigd was. Aangezien dit wonder zo dichtbij Jeruzalem plaats vond, verspreidde zich het nieuws daarover spoedig door de stad. De priesters en Farizeeërs, die geïrriteerd waren over dit wonder, hielden een vergadering (Joh 9,17) waarin zij besloten de Verlosser te doden. Zij bevalen aan iedereen die iets af wist van zijn verblijfplaats, deze onverwijld aan hen te melden, want na de wederopstanding van Lazarus had Jezus zich teruggetrokken in de stad Efraïm totdat het op handen zijnde Paasfeest zou aanbreken. Aangezien de tijd van de Paasviering door zijn eigen dood steeds dichterbij kwam, vertoonde Hij zich meer openlijk met zijn twaalf leerlingen, de apostelen en Hij zei hun zich gereed te maken voor de intocht in Jeruzalem, waar de Zoon van de mensen, Hijzelf, zou overgeleverd worden aan de hoofdmannen der Farizeeërs, gebonden zou worden als een gevangene, gegeseld zou worden en mishandeld tot aan de dood van het kruis (Mt 20,18). Intussen letten de priesters scherp op hen, die het Paasfeest kwamen vieren en onderzochten zij of Hij daar wellicht bij zou zijn. Zes dagen eerder had Hij nogmaals Betanië, waar Hij Lazarus ten leven gewekt had, bezocht. De twee zusters hadden daar voor de Heer en zijn moeder een feestmaal aangericht, waaraan ook alle apostelen aanzaten rond Lazarus, die Hij, nog slechts enkele dagen tevoren tot nieuw leven gebracht had.

399. Terwijl onze Heiland, zoals bij de Joden gebruikelijk was, aanlag aan dit feestmaal, trad Magdalena, vervuld van goddelijke verlichting en zeer grootmoedige gevoelens, de feestzaal binnen. Als een uitwendig teken van haar vurige liefde jegens Christus, haar goddelijke Meester, zalfde zij zijn voeten en ledigde daarover, alsook over zijn hoofd een albasten vaas gevuld met een zeer welriekende en kostbare vloeistof, samengesteld uit nardusolie en andere aromatische ingrediënten. Toen droogde zij zijn voeten met haar haren, juist zoals ze bij een vorige gelegenheid gedaan had in het huis van de Farizeeër, opgetekend door Lucas (Lc 7,38). Ofschoon de andere drie evangelisten bij het vertellen van deze tweede zalving enigszins andere details vermelden, beschrijven zij toch dezelfde zalving, verricht door dezelfde vrouw, zoals mij te verstaan gegeven werd. Zij schrijven over Magdalena, die tot deze daden bewogen werd door inspiratie van de heilige Geest en haar eigen brandende liefde voor Christus de Verlosser. De geur van deze vloeistof vervulde het gehele huis, want zij had een grote hoeveelheid van zeer goede kwaliteit gekocht. Zij was daar ook niet karig mee, doch zij ledigde de vaas geheel ten teken van haar overvloedige liefde en algehele toewijding aan de Meester.
De geldzuchtige apostel, die graag in het bezit van het reukwerk had willen komen om het daarna te verkopen en te doen dienen tot stijving van zijn beurs, kritiseerde de mysterieuze zalving van zijn Meester en trachtte tevens enige van de apostelen tot zijn standpunt over te halen onder het voorwendsel, dat ze het toch al niet breed hadden en dat ze er de armen hulp mee konden verschaffen (Joh 12,5). Deze armen, zo sprak hij, ontberen nu hun aalmoes, door deze verkwistende verspilling van dit kostbare reukwerk. Maar dit alles was zo geregeld door de goddelijke Voorzienigheid, terwijl Judas zich slechts als een geldzuchtige en ontevreden huichelaar gedroeg.

400. De Leraar van de waarheid en van het leven verdedigde Magdalena tegen de beschuldiging van ondoordachte vrijgevigheid. Hij beval Judas en de anderen haar niet lastig te vallen (Mt 24,10), aangezien haar daad geen ijdele daad was en niet zonder reden gesteld werd. Hij zei hen, dat de armen er geen aalmoes minder door zouden ontvangen, maar elke dag het hunne zouden krijgen, maar tevens deelde Hij hen mee, dat de eer aan zijn Persoon bewezen, niet elke dag zou kunnen terugkeren. Hij onthulde hen, dat de zalving door voorlichting van de heilige Geest, door deze milde en liefderijke vrouw ws verricht als een profetische aankondiging van de mysterieuze zalving van de Heiland, die Hij door de verschrikkingen van de dood en bij zijn begrafenis zou ondergaan. De trouweloze discipel nam geen van deze woorden ter harte; hij werd steeds meer bezeten van woede tegen zijn Meester, omdat deze de daden van Magdalena gerechtvaardigd had. Lucifer trok profijt uit de toestand van dit verraderlijke hart. Hij spoorde Judas aan tot nieuwe geldzucht, woede en dodelijke haat tegen de Schepper van het leven. Van die dag af smeedde Judas plannen om zijn dood te bewerkstelligen en hij besloot Hem, zodra ze te Jeruzalem zouden zijn aangekomen, aan de Farizeeërs te verraden en Hem tegenover hen te beschuldigen, zoals hij later dan ook deed. Na dit feestmaal spoedde hij zich in het geheim naar Jeruzalem en deelde hen mee, dat zijn Meester nieuwe wetten onderwees, die afweken van die van Mozes en de keizers; dat Hij zich uitleefde aan feestmalen en zijn vrienden had onder de lagere en niet goed bekend staande lieden; dat Hij velen, die een zondig leven leidden, tot zijn volgelingen had gemaakt, zowel mannen als vrouwen en dat dit zonder uitstel moest worden tegengewerkt, want dat het anders wel eens te laat zou kunnen zijn en zijzelf in moeilijkheden zou kunnen komen. Aangezien dit ook de mening van de Farizeeën was, die door dezelfde prins van de duisternis was ingeblazen, aanvaardden zij zonder meer zijn raad. Zij kwamen met hem een prijs overeen voor het verraad van Christus, onze Heiland.

401. De gedachten van Judas waren niet alleen voor de Meester maar ook voor zijn allergezegendste moeder als een open boek. De Heer zei echter niets over deze kwestie tegen Judas, Hij bleef hem behandelen als een minzame Vader en liet zijn Licht in het verstokte hart schijnen. Zijn moeder verdubbelde haar waarschuwingen en putte zich uit om te trachten Judas voor de gapende kloof te bewaren en op de avond van het feestmaal dat was de vooravond van Palmzondag, riep zij hem om hem alleen te kunnen spreken. Zij zei hem onder een vloed van tranen en met liefderijke en overredende woorden, wat voor ernstige gevaren hem wachtten, indien hij bij zijn voornemen zou blijven. Zij vroeg hem zijn plannen op te geven en indien hij zich beledigd voelde door zijn Meester, zijn wraak op haar te koelen. Want dit was een veel kleinere zonde, omdat zij slechts een schepsel was, terwijl Hij zijn Meester en de ware God was. Om de hebzucht van zijn onverzadigbare hart enigszins te stillen bood zij hem enige geschenken aan, haar tot dit doel door Magdalena gegeven. Maar geen van haar pogingen hadden enig effect in zijn verstokte ziel, noch verzachtten de lieflijke en levende woorden dot onvermurwbare hart. Integendeel: aangezien hij geen passend antwoord kon vinden en de bezweringen van de allervoorzichtigste koningin zo indringend waren, werd hij steeds meer tot woede gebracht en toonde hij deze razernij door een hardnekkig stilzwijgen. Hij had zo weinig schaamtegevoel, dat hij de geschenken, die zij hem aanbood, toch aannam, want zijn geldzucht was even groot als zijn trouweloosheid. De allergezegendste vrouwe liet hem toen alleen en ging naar haar Zoon en Meester. Zij wierp zich vol bittere smart aan zijn voeten. In haar grote smart en medelijden wilde zij enige troost brengen aan de heilige mensheid van Christus haar Zoon, die zij nu zag lijden onder de pijnen des doods, die Hij later in de aanwezigheid van zijn leerlingen zou doormaken (Mt 24,38). Dit was de wijze waarop Christus leed voor de zonden van hen, die zijn lijden en dood niet op de juistee manier zouden aanwenden, zoals ik later nog zal meedelen.

Onderrichting mij door de koningin des hemels, de allerheiligste Maria, gegeven.

402. “Mijn dochter, gij begrijpt en beschrijft dagelijks steeds beter door deze geschiedschrijving, dat mijn Zoon en ik met Hem, door onze brandende liefde door ons gehele leven heen, de weg van het kruis en het lijden bewandeld hebben. Gij ontvangt deze kennis zo volledig en hoort deze leerstelling zo dikwijls, dat gij er naar streven moet haar in uw dagelijks leven op te volgen. Deze plicht is voor u begonnen op de dag, dat mijn Zoon u tot bruid heeft uitverkozen; zij zal steeds meer van u eisen, zodat gij de plicht om moeilijkheden te omhelzen en lief te hebben niet zult kunnen ontwijken en uw grootste verdriet zal bestaan uit het leven zonder pijnen en moeilijkheden. Hernieuw elke dag dit verlangen in uw hart, want het is mijn wens, dat gij bedreven wordt in deze kennis, waar de wereld zo’n grote afschuw van heeft. Maar onthoud tevens, dat God de schepselen niet beproefd om hen te laten lijden, doch om hen meer geschikt en waardiger te maken tot het ontvangen van de zegeningen en schatten, die voor hen zijn gereedgemaakt en alle menselijk begrip te boven gaan (Kor 2,9). Ter bevestiging van deze waarheid en als een onderpand voor deze belofte deed Hij de gedaanteverandering van zichzelf op de berg Tabor in mijn aanwezigheid en in die van enige van de apostelen plaatshebben. In het gebed, dat Hij toen opzond naar de eeuwige Vader en dat slechts door mij gehoord en begrepen werd, vernederde Hij zichzelf voor zijn Vader en beleed Hij Hem als de ware God, oneindig in zijn volmaaktheden en eigenschappen -zoals Hij steeds deed in zijn gebeden- en smeekte Hij Hem allen, die in eigen lichaam lijden en verstervingen zouden ondergaan te zijner liefde en tot zijn navolging, te doen delen in zijn glorie, naar de mate waarop ieder dit zou verricht hebben, na de opstanding van hun lichamen bij het laatste oordeel. Aangezien de eeuwige Vader deze smeekbede inwilligde, bestaat er een soort overeenkomst tussen God en de mensen. De glorie, die aan het lichaam van Christus de Heiland gegeven was, was een onderpand voor datgene wat Christus voor zijn volgelingen zou veroveren. Daarom is de waarde van de voorbijgaande moeilijkheden, veroorzaakt door het zich ontzeggen van aardse genoegens, het ondergaan van verguizingen en lijden om Christus wil, zo groot (2Kor 4,17).

403. Op grond van de verdiensten van dit gebed van Christus zal deze glorie, die Hem toekomt, terecht aan de stervelingen worden meegedeeld, omdat de mensen ledematen zijn van Christus mystieke Lichaam. (2 Tim 4,8). Maar deze vereniging met Christus, waardoor de mensen deze beloning zullen ontvangen, moet tot stand komen door genade en door navolging van hetzelfde lijden, waardoor de Verlosser haar verdiende. Indien alle menselijk lijden al haar kroon verdient, toch zal een grotere kroon verdiend worden door het geduldig dragen en het vergeven van beledigingen en door deze met goede daden te beantwoorden, zoals wij stelden met betrekking tot Judas. Want de Heer ontnam hem zijn apostolaat niet, Hij was in geen enkel opzicht vertoornd op hem, maar Hij bleef geduldig zijn gezelschap verdragen tot aan het bittere einde, toen Judas zichzelf reeds geheel ongeschikt had gemaakt tot het ontvangen van enigerlei genade en zich in de armen van de duivel geworpen had. Gedurende ons sterfelijk leven spreidt de Heer een groot geduld tentoon in het zich wreken op ons; maar dit geduld wordt achterhaald door de gestrengheid van zijn straffen na onze dood. Indien God zoveel van ons verdraagt, hoeveel temeer moet dan een gewone aardworm van een ander schepsel verdragen, want zijn wij niet allen in dezelfde toestand en hebben wij niet dezelfde natuur? In het Licht van deze waarheid en door de liefde, die de Heer zijn bruid toedraagt, moet gij uw geduld beoefenen, anderen steeds weer verdragen en ijver tonen voor hun redding. Ik zeg hier niet mee, dat gij daarom dingen moet toestaan tie tegen Gods eer indruisen, want dat zou geen ware ijver voor het welzijn van uw naaste zijn. Gij moet hen liefhebben als schepselen Gods en de zone verafschuwen; gij moet alles, wat tegen u wordt gedaan dulden en voorbij zien en steeds, voor zover dit u mogelijk is, de redding van de anderen voor ogen hebben. Verlies de moet niet, indien gij niet onmiddellijk resultaat ziet, maar blijf aan de eeuwige Vader de verdiensten van mijn allerheiligste Zoon aanbieden, leg de nadruk op mijn voorspraak en die van de heiligen en engelen, want juist zoals God Liefde is en zij zijn afgezanten zijn, zullen zij graag gebruik maken van deze zelfde liefde ten bate van hen, die nog steeds de staat van pelgrim hebben”.

Tags: , , , , , , , ,


%d bloggers liken dit: